10 februari 2021

Het literatuuronderwijs in Nederland richt zich op de individuele ontplooiing van kinderen. Docenten streven ernaar om hun leerlingen positieve leeservaringen te laten opdoen en zichzelf literair en persoonlijk te laten ontwikkelen. 48% van de docenten Nederlands op havo en vwo wil met literatuuronderwijs de literaire competentie vergroten. 46% streeft ernaar om het leesplezier te stimuleren, terwijl 35% graag ziet dat leerlingen persoonlijke groei doormaken (het ‘mens worden’) (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Drie op de tien docenten vinden het kennis maken met de literaire canon, het leren van technieken voor verhaalanalyse en het leren van literaire begrippen belangrijk. Voor twee op de tien docenten is de literatuurgeschiedenis een voorname doelstelling (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Het is opmerkelijk dat ‘literaire begrippen’ en ‘literatuurgeschiedenis’ relatief laag scoren in prioriteit. Deze begrippen spelen namelijk een centrale rol in de exameneisen. Ze worden wel het meeste getoetst – met name in de bovenbouw van havo en vwo (Oberon, 2016).

Een derde exameneis betreft ‘literaire vorming’. Dat kan worden vertaald als literaire competentie, de doelstelling die de meeste prioriteit krijgt. In de literaire competentie vloeien het leesplezier en de literaire ontwikkeling samen. Het streven is dat leerlingen, door het lezen van boeken die op of net boven hun literaire niveau liggen, steeds een treetje hoger zetten. Daardoor houden ze plezier in lezen én kunnen ze zichzelf literair ontwikkelen. Dat voorkomt dat ze afhaken als lezer omdat ze snel moeten overschakelen naar complexe literaire werken uit de canon, zoals in het verleden vaak gebeurde.

Docenten zijn de literaire competentie als doelstelling van het literatuuronderwijs in de loop der jaren belangrijker gaan vinden. Tussen 2001 en 2011 is de aandacht voor leesplezier gedaald (van 42% naar 21% als voornaamste doel), ten faveure van de literair-esthetische vorming (van 12% naar 23%) (Van Lierop-Debrauwer & Bastiaansen-Harkst, 2005; Sikkema, 2013).