10 februari 2021

In 2001 bepaalden de meeste docenten de te lezen boeken voor school in overleg met hun leerlingen (Van Lierop-Debrauwer & Bastiaansen-Harkst, 2005). Vijftien jaar later is dat op veel scholen uitgegroeid tot de staande praktijk. Acht op de tien docenten Nederlands op havo en vwo laat leerlingen bepaalde titels zelf kiezen, om die vervolgens te keuren. De helft laat leerlingen (daarnaast) boeken kiezen uit een titellijst die door de school wordt aangedragen. 30% schrijft bepaalde boeken zelf voor, zonder keuzemogelijkheid voor de leerlingen (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

De te lezen boeken behoren voor het grootste deel tot de oorspronkelijk Nederlandstalige volwassenenliteratuur. Dat is met name het geval in de bovenbouw van havo en vwo (Oberon, 2016). 67% van de docenten Nederlands op havo en vwo verbiedt vertaalde literatuur helemaal; 45% doet dat met kinderboeken. De belangrijkste eis die aan de te lezen boeken wordt gesteld, is een door de school bepaald literair niveau. 67% van de docenten houdt hier rekening mee in het keuren van boeken. 55% vereist daarbij dat het literaire niveau aansluit op de literaire competentie van de leerling. Dat het boek deel uitmaakt van de literaire canon speelt bij 44% van de docenten een rol (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

Aantal boeken en gemiddelde lestijd

In de bovenbouw van het vwo laten docenten leerlingen gemiddeld 13 boeken lezen (de landelijke norm is 12). Op de havo zijn dit er 9 (de landelijke norm is 8). De meest voorkomende toetsvormen zijn de creatieve verwerkingsopdracht en de mondelinge presentatie, klassikaal of één-op-één (DUO Onderwijsonderzoek, 2016).

In de onderbouw van havo en vwo wordt 15% van de lestijd besteed aan literatuur, in de bovenbouw loopt dat op tot 25%. De sectie Nederlands is op de meeste scholen verantwoordelijk voor het bepalen van het aantal lesuren. Bijna zes op de tien docenten stemt zijn literatuuronderwijs af op de referentieniveaus voor het lezen van fictionele, narratieve en literaire teksten (Oberon, 2016).