23 oktober 2021

Het belang van herhaling

Het resultaat van voorlezen groeit als er vormen van herhaling zijn. Dit is het geval als hetzelfde verhaal meerdere keren wordt voorgelezen, of wanneer dezelfde woorden meermaals voorkomen in de tekst. Herhaling zorgt er niet alleen voor dat kinderen méér woorden leren, maar ook dat hun begrip van de woorden diepgaander is (Damhuis, 2014). Ouders leggen bij het herhaaldelijk voorlezen andere accenten. De eerste keer dat zij het boek voorlezen, staan de gebeurtenissen in het verhaal centraal. Bij latere lezingen verschuift de aandacht naar de gevoelens en gedachten van de personages (Schapira et al., 2020). 

Illustraties sluiten bij voorkeur aan op verhaal

Veel kinderboeken zijn uitgerust met prenten en illustraties. Deze geven extra informatie in de vorm van visuele details, en fungeren zo als ondersteuning voor het voorgelezen verhaal. Kinderen bekijken deze visuele details aandachtiger als, en op het moment dat, deze in het verhaal aan bod komen. Zij voegen de informatie uit de prenten en de informatie uit het voorgelezen verhaal dan optimaal samen (Takacs & Bus, 2018). Kinderen kunnen daardoor moeilijke, onbekende woorden beter onthouden en het verhaal diepgaander begrijpen (Sadoski & Paivio, 2004).

Prenten bieden in het bijzonder hulp als tekst en beeld dichtbij elkaar staan – zowel in de ruimte (op dezelfde pagina) als in de tijd (in de chronologie van het verhaal). Dit maakt het voor kinderen gemakkelijker om de verbale en de non-verbale informatie te integreren (Sadoski & Paivio, 2004; Takacs & Bus, 2018). Wanneer illustraties irrelevant zijn voor het verhaal, leiden zij beginnende lezers juist af van de tekst. Dit leidt tot minder verhaalbegrip (Eng et al., 2020).

Interactief voorlezen geeft extra impuls

Voorlezers die de interactie zoeken met het kind, geven de taal- en leesvaardigheid een extra impuls. Kinderen die vragen krijgen over afbeeldingen, karakters en gebeurtenissen in het verhaal, boeken blijkens een meta-analyse van 38 studies meer vooruitgang op hun woordenschat dan kleuters die zonder interactie worden voorgelezen (Flack, Field & Horst, 2018). Uit een meta-analyse van zestien studies blijkt bovendien dat het positieve effect van interactief voorlezen door ouders groter is als kinderen jonger zijn (2 tot 4 jaar in plaats van 5 tot 6 jaar) en een beperkt risico lopen op taal- en leesachterstanden (Mol, 2010).

Kinderen met het risico op taal- en leesachterstanden blijken sterker gebaat bij interactief voorlezen door de leerkracht op de peuterspeelzaal, kleuterschool of onderbouw van de basisschool. Deze heeft waarschijnlijk meer vaardigheden om voor te lezen en een gesprek over het verhaal te voeren dan hun ouders. Blijkens een meta-analyse van 31 studies is er bij interactief voorlezen op school een klein effect op kennis van printconventies en een middelgroot effect op de woordenschat, zowel voor peuters als voor kleuters (Mol, 2010; Swanson et al., 2011).

Interactief voorlezen op school werkt optimaal in kleine groepen van één tot drie kinderen. Dit genereert meer vragen, reacties en commentaar dan interactief voorlezen voor de hele klas (vijftien kinderen of meer) (Morrow & Smith, 1990). Docenten die hetzelfde boek herhaald voorlezen stimuleren het begrip. Dit is ook het geval als zij moeilijke woorden uitleggen (bijvoorbeeld met behulp van synoniemen) (Swanson et al, 2011).

Vragen stellen: van makkelijk naar moeilijk

Er zijn verschillende manieren om vragen te stellen in een voorleessessie. Voorlezers kunnen beschrijvende vragen stellen, gericht op het halen van feitelijke informatie uit de tekst (bijvoorbeeld de naam van een personage). Daarnaast zijn meer analytische vragen mogelijk, gericht op het leggen van verbanden en het maken van inferenties (bijvoorbeeld het karakter van een personage). Bovendien kunnen deze vraagvarianten tijdens of na afloop van het verhaal worden gesteld (Shealy & Cook, 2009).

Peuters leren dankzij deze manieren van vragen stellen meer nieuwe woorden dan kinderen die zonder vragen worden voorgelezen. Het doet er voor het effect niet toe of de vragen beschrijvend of analytisch zijn, en evenmin of ze tijdens of na afloop gesteld worden. Wel helpt het om te beginnen met makkelijke, beschrijvende vragen over nieuwe woorden, en deze gedurende de sessie moeilijker, analytischer te maken. Peuters zijn dan na afloop beter in staat om deze woorden te reproduceren (Shealy & Cook, 2009).

Naar de tekst wijzen helpt

Kinderen kijken tijdens het voorlezen uit zichzelf nauwelijks naar de geschreven tekst. Daarom kunnen voorlezers er expliciet naar verwijzen, met opmerkingen en hand- en armgebaren. Kinderen beginnen hun schoolcarrière dan met een grotere kennis van geschreven taal. Zelfs na twee schooljaren profiteren ze nog, in vergelijking met een ‘gewone’ voorleesgroep: op technisch lezen, spelling en tekstbegrip (Piasta et al., 2012).

Ingebouwde vragen stimuleren dialoog

Prenten- en kinderboeken kunnen worden voorzien van ingebouwde vragen, zoals ‘Wat zal er nu met Ekster gebeuren?’ of ‘Waarom is Eend verdrietig?’ Deze vragen helpen voorlezers om de interactie te zoeken met het kind. In voorleessessies met dergelijke boeken is sprake van een rijkere dialoog. Er worden meer uitingen gedaan door zowel de ouder als door het kind. Daarnaast doen kinderen meer voorspellingen over het verdere verloop van het verhaal en geven ze meer verklaringen of uitleg bij gebeurtenissen. Ze profiteren niet voor hun begrip van het verhaal. Wel lezen ouders ook na de interventie interactiever voor (De Koning et al., 2018).