10 februari 2021

Eindexamenleerlingen op de havo en het vwo sluiten het onderdeel literatuur van het schoolvak Nederlands gemiddeld met een 6.9 af. Het eindcijfer varieert significant tussen de onderwijstypen, schoolprofielen en seksen. Havisten (6.8) behalen een lager cijfer dan vwo’ers (7.1) en gymnasiasten (7.4). Leerlingen met het profiel Natuur & Techniek (6.6) scoren lager dan leerlingen met andere schoolprofielen. Meisjes (7.1) scoren bijna een halve punt hoger dan jongens (6.7). Het wel of niet hebben van een migratieachtergrond is niet van invloed op het eindcijfer literatuur (Dera, 2019).

Niveau literaire competentie

De helft van de middelbare scholieren begint aan de tweede fase met een achterstand in literaire competentie. Dit is het geval op de havo en op het vwo. Aan het eind van de middelbare school behaalt 73% van de havisten de havo-norm voor literaire competentie, terwijl 47% van de vwo’ers de vwo-norm haalt (Witte, 2008).

Voor de literaire competentie bestaat er een omgekeerd Matteüs-effect. Niet zozeer de sterke als wel de zwakke leerlingen boeken in de tweede fase de meeste vooruitgang. Het literatuuronderwijs slaagt er vooral in om hún literaire competentie en motivatie om literatuur te lezen naar een hoger plan te tillen (Witte, 2008).

Emanciperend effect

Er gaat van het literatuuronderwijs een emanciperend effect uit. Waar het beginniveau van 4 havo- en 4 vwo-leerlingen sterk samenhangt met hun eigen leesgedrag en het leesklimaat thuis, is dat aan het eind van de middelbare school niet meer het geval. Leerlingen die weinig lezen en weinig leesstimulansen van hun ouders krijgen, hebben dus evenveel kans om één, twee of drie niveaus te klimmen als leerlingen met een meer voordelige uitgangssituatie (Witte, 2008).