Citeren? Stichting Lezen - Leesmonitor(2024). Waarom lezen we minder boeken?. https://www.lezen.nl/onderzoek/waarom-lezen-we-minder-boeken/.
10 februari 2021

Andere media vervangen en vullen aan

Hoe valt de dalende leestijd van boeken en andere gedrukte media te verklaren? Er wordt vaak gewezen naar de opkomst van de nieuwe media. In de jaren 60 deed de televisie een intrede in Nederlandse huishoudens. Nederlanders brachten in 1975 gemiddeld 10 uur per week achter de beeldbuis door. Tot 2016 liep dit op naar 14 uur per week, een stijging van 40% (Wennekers, Huysmans & De Haan, 2018).

De afgelopen twintig jaar hebben zich andere media met een schermpje aangediend: computers, laptops, tablets en smartphones. De tijd die Nederlanders doorbrengen met deze digitale dragers lag in 2016 op 3,5 uur, vier keer zoveel als in 1995. In 2016 gaat zodoende 17% van de totale mediatijd naar lezen. In 2006 ging het om 22%, in 1975 om 33% (Wennekers, Huysmans & De Haan, 2018; Cloïn et al., 2013).

Betekent deze verschuiving van papier naar scherm nu dat media elkaar beconcurreren? Dit idee is terug te voeren op de zogenaamde tijdsvervanging-hypothese. Wie meer tijd gaat besteden aan een nieuwe activiteit, houdt minder tijd over voor de bestaande routines. Dit is voor de wisselwerking tussen boeken en de televisie inderdaad aangetoond (Knulst & Kraaykamp, 1996), en het lijkt op te gaan voor de wisselwerking tussen lezen en digitaal communiceren (Wennekers, Huysmans & De Haan, 2018).

Tegelijkertijd vertelt het niet het hele verhaal. Of er sprake is van vervanging, hangt namelijk sterk af van de persoon in kwestie. Verschillende groepen gebruikers houden er hun eigen voorkeuren en gewoonten op na (Huysmans, De Haan & Van den Broek, 2004). In de jaren 80 breidden mensen geboren in de jaren 50 zowel hun lees- als televisietijd uit, terwijl de jongere generaties meer gingen kijken en minder gingen lezen (Knulst & Kraaykamp, 1996).

De mediamenu’s anno nu lopen zo mogelijk nog sterker uiteen. Zo bestaan er inderdaad tieners die zweren bij online communicatiediensten en die het boek links laten liggen. Zij verkeren in gezelschap van ‘omnivoren’, die verschillende media intensief naast elkaar gebruiken, en ‘laag-frequente gebruikers’, die überhaupt niet van media houden (Huysmans, 2013; Van Kruistum, 2013). Media kunnen elkaar, afhankelijk van de persoon in kwestie, zowel vervangen als aanvullen.

Ervaren tijdsdruk hangt samen met lezen

De tijdsvervanging-hypothese zou, behalve voor media in het bijzonder, ook in ruime zin op kunnen gaan. Het lezen van boeken, kranten, tijdschriften en online nieuws hangt dan samen met de tijdsdruk die mensen in het dagelijks leven ervaren. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn. Weinig fervente lezers hebben veel verplichtingen, in de vorm van school, studie en/of werk. Bij mensen die veel lezen voor deze doeleinden, kan er bovendien een zekere verzadiging optreden. Fervente lezers daarentegen beschikken over het algemeen over veel vrije tijd (Wennekers, Huysmans & De Haan, 2018).

Een hoge tijdsdruk creëert beperkingen voor het lezen, terwijl een lage tijdsdruk mogelijkheden brengt. De samenstelling van het tijdsbudget hangt deels af van de levensfase waarin iemand zich bevindt. De vrije tijd is relatief groot in de adolescentie, om vervolgens, met het betreden van de arbeidsmarkt en het starten van een gezin, te krimpen, en dan, als er sprake is van een zekere voltooiing van het leven, weer te groeien (Knulst & Kraaykamp, 1996). De tijdsdruk ligt het hoogst onder ouders van thuiswonende kinderen, hoger opgeleiden en vrouwen (Roeters et al., 2018). Ook hier geldt dat het per persoon zal verschillen hoe men met de beschikbare hoeveelheid vrije tijd wenst om te gaan. De ene persoon zal met een beperkt budget toch tijd vrijmaken om te lezen, terwijl het voor een andere persoon ten koste zal gaan van het lezen.

Elke generatie maakt een andere mediasocialisatie door

De opkomst van nieuwe media oefent op generationeel niveau wel invloed uit op het lezen. Dit idee laat zich samenvatten met het spreekwoord ‘jong geleerd is oud gedaan.’ Mensen blijven in hoge mate trouw aan de media door welke ze zich op jonge leeftijd omringd weten. De oudere generaties groeiden op in een medialandschap met weinig keuzes naast boeken en andere gedrukte media. Zij zijn beter in staat zich lezend te vermaken dan jongere generaties, die opgroeien met een brede waaier aan media (Huysmans, De Haan & Van den Broek, 2004; Knulst & Kraaykamp, 1996). Het zijn dan ook met name mensen boven de 50 jaar die met een zekere regelmaat een boek ter hand nemen.

Deze mediasocialisatie in de jeugdige jaren blijkt de meest krachtige verklaring voor de dalende leestijd. Aangezien generaties elkaar opvolgen, zou het kunnen betekenen dat het lezen van boeken en andere gedrukte media op termijn helemaal verdwijnt. Deze conclusie lijkt overdreven. In de geschiedenis van de media wordt ‘oud’ zelden volledig verdrongen en vervangen door ‘nieuw’. De vervanging die optreedt, is gedeeltelijk en verloopt geleidelijk: oude media leveren tijd in, de nieuwe media winnen aan bereik (Huysmans, De Haan & Van den Broek, 2004). Op basis hiervan ligt het voor de hand dat het lezen van boeken in de toekomst verder terrein prijsgeeft, maar niet dat het helemaal zal verdwijnen.

Doelgroep(en)