Leesbevorderingsactiviteiten in de klas
Vrij lezen is de meest georganiseerde leesbevorderingsactiviteit in het voortgezet onderwijs. Ongeveer de helft van de scholen organiseert schoolbreed vrij lezen, dat wil zeggen voor alle leerlingen op de school. Gemiddeld lezen zij 48 minuten per week ‘vrij’ (DUO-Onderwijs, 2025).
Vier op de tien docenten Nederlands besteedt (bijna) elke les aandacht aan vrij lezen. Tweederde doet dit minstens een les per week. Docenten besteden zowel in het vmbo als in de havo en het vwo veel tijd aan vrij lezen. In de onderbouw gebeurt dit vaker dan in de bovenbouw (DUO-Onderwijs, 2025).
Andere leesbevorderingsactiviteiten komen minder vaak voor. Een derde van de docenten Nederlands geeft wekelijks boekadvies en een op de zes houdt wekelijks boekintroducties of organiseert boekgesprekken. Een vijfde leest wekelijks voor in de klas. Creatieve verwerkingsopdrachten en schrijfopdrachten doen docenten het minst vaak (respectievelijk 7% en 6% wekelijks) (DUO-Onderwijs, 2025).
Docenten Nederlands lezen vaker voor in de onderbouw dan in de bovenbouw. Ook creatieve verwerkingsopdrachten vinden vaker plaats in de onderbouw dan in de bovenbouw. Docenten geven in de bovenbouw juist weer vaker boekadviezen. Docenten Nederlands lezen vaker voor aan vmbo-leerlingen, en maken vaker gebruik van boekadviezen, boekintroducties, boekgesprekken en schrijfopdrachten bij havo-/vwo-leerlingen (DUO-Onderwijs, 2025).
Leesbevorderingsactiviteiten buiten de klas
Leesbevorderingsactiviteiten buiten het klaslokaal vinden sporadisch plaats. Twee op de tien docenten bezoekt de mediatheek een keer per kwartaal met hun leerlingen en vier op de tien doet dit een à twee keer per jaar. Drie op de tien docenten brengt minstens een keer per jaar met de klas een bezoek aan de openbare Bibliotheek. 58% nodigt elk jaar een auteur uit in de klas en 17% bezoekt jaarlijks een literair evenement. Bezoeken aan de lokale boekhandel vinden nagenoeg niet plaats (DUO-Onderwijs, 2025).
Docenten bezoeken de openbare Bibliotheek vaker in de onderbouw dan in de bovenbouw, en vaker in het vmbo dan in havo en vwo. Ze nemen in de onderbouw daarnaast vaker met hun leerlingen deel aan leesbevorderingscampagnes. Docenten bezoeken in de bovenbouw en met havo en vwo-leerlingen juist vaker een literair evenement. Havo- en vwo-leerlingen ontvangen ten slotte vaker een bezoekende auteur dan vmbo-leerlingen (DUO-Onderwijs, 2025).
Motieven en uitdagingen voor leesbevordering
Docenten Nederlands die lesgeven in het vmbo noemen voornamelijk drie motieven om aandacht te geven aan leesbevordering: het vergroten van de woordenschat, de leesvaardigheid en het leesplezier (DUO Onderwijsonderzoek, 2017). Het vergroten van het leesplezier en het bijdragen aan de taal- en leesvaardigheid zijn de belangrijkste doelstellingen binnen het literatuuronderwijs in vmbo, havo en vwo. Daarnaast streven docenten Nederlands er ook naar te werken aan de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen (DUO-Onderwijs, 2025).
Docenten Nederlands zien ook een aantal uitdagingen voor leesbevordering (DUO-Onderwijs, 2025):
- 76% noemt als barrière dat leerlingen lezen ‘suf’ vinden;
- 59% geeft aan dat leerlingen zich niet lang genoeg kunnen concentreren;
- 49% vindt de leesvaardigheid van leerlingen onvoldoende om het lezen te kunnen bevorderen;
- 41% vindt dat het lesprogramma te weinig tijd biedt om aan leesbevordering te doen.
Vmbo-docenten benoemen vaker dan havo/vwo-docenten als uitdaging dat hun leerlingen lezen suf vinden (85% versus 71%), zich niet lang kunnen concentreren (69% versus 52%) en onvoldoende leesvaardig zijn (62% versus 40%) (DUO-Onderwijs, 2025).