10 februari 2021

Hoger opgeleide ouders besteden meer aandacht aan leesopvoeding dan lager opgeleide ouders. In de eerste plaats geven zij hun kinderen vaker het goede voorbeeld. Zij lezen zelf vaker Nederlandstalige en vertaalde literatuur (serieus voorbeeld) en detectives en romantische fictie (populair voorbeeld) – al is de kloof met lager opgeleiden in het laatste geval kleiner. Daarnaast besteden hoger opgeleide ouders meer tijd aan de directe leesbegeleiding. Zij lezen hun kinderen vaker voor en discussiëren vaker met hen over boeken (Notten, 2012). Tot slot halen ze meer leesmaterialen in huis, waaronder prenten- en kinderboeken (Rodriguez, Tamis-LeMonda, Spellman, Pan, Raikes, Lugo-Gil & Luze, 2009).

Hoger opgeleide ouders onderscheiden zich ook positief in hun alledaagse taalgebruik. Hun kinderen horen per uur gemiddeld 2.153 woorden. Bij middelbaar opgeleide ouders gaat het om 1.251 woorden; bij lager opgeleide ouders om 616 woorden. Dit vertaalt zich in de woordenschat van hun kroost. Terwijl kinderen van hoger opgeleide ouders op 3-jarige leeftijd 1.100 woorden beheersen, gaat het bij kinderen van middelbaar opgeleide ouders om 750 en bij kinderen van lager opgeleide ouders om 500 woorden (Hart & Risley, 1995). Deze kloof groeit naarmate kinderen ouder worden. Tussen 1,5- en 2-jarige leeftijd leren kinderen van hoger opgeleide ouders 30% méér nieuwe woorden bij dan kinderen van lager opgeleide ouders (Fernald, Marchman & Weisleder, 2012). Daardoor dreigt een Matteüs-effect: de rijk-geletterde kinderen worden rijker, de arm-geletterde kinderen armer.

Toch zijn ook bínnen de opleidingsniveaus de verschillen omvangrijk. Zo varieert het aantal woorden dat lager opgeleide ouders dagelijks gebruiken tussen de 2.000 en 30.000. Het opleidingsniveau blijkt dan ook niet de voornaamste voorspeller van de taalontwikkeling van kinderen. Belangrijker zijn de gevarieerdheid én de kwaliteit van het taalaanbod. Het helpt met name als ouders rechtstreeks de interactie zoeken, bijvoorbeeld over gedeelde symbolen (‘Kijk, een hond!’, ‘Ja, dat is een bus!’) en rituelen (‘Wil je na de fles naar bed?’, ‘Papa gaat nu een verhaaltje vertellen.’). Converaties tussen ouders, in het bijzijn van de kinderen, hebben geen effect (Weisleder & Fernald, 2013).

Het opleidingsniveau is niet het enige gezinskenmerk dat de leesopvoeding bepaalt. Ouders die gescheiden zijn en/of veel kinderen hebben, kunnen over het algemeen minder tijd in hun kinderen investeren. Zij komen daardoor niet alleen zelf minder toe aan het lezen van boeken, maar lezen ook minder vaak voor en praten minder vaak over boeken (Notten, 2013).

Doelgroep(en)