8 juni 2021

Ruim twee op de tien ouders met thuiswonende kinderen leest hen (bijna) elke dag voor. Nog eens 15% doet dit minimaal één keer per week. Bijna vier op de tien ouders leest nooit voor. Het aantal ouders dat voorleest is in de periode 2017-2019 gedaald ten opzichte van de jaren ervoor. Tevens is de frequentie waarmee ouders voorlezen gedaald. Het zou kunnen dat het beeld in werkelijkheid stabiel is, omdat de vraagstelling in 2017 is veranderd (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49; KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37).

Ouders lezen hun kinderen vooral voor als deze jong zijn. 95% van de ouders van wie het jongste kind tussen de 0 en 5 jaar is leest ten minste wekelijks voor; bij kinderen van 6 en 7 jaar gaat het om 89%. Er gaan minder ouders voorlezen vanaf het achtste levensjaar, ongeveer het moment dat kinderen zelf kunnen lezen. 61% van de ouders van wie het jongste kind tussen de 8 en 12 jaar is leest ten minste wekelijks voor; bij kinderen tussen de 13 en 18 jaar gaat het om 17% (KvB Boekwerk & GfK, 2017, meting 42). Ouders vinden hun kinderen vanaf dan in toenemende mate ’te oud’ voor voorlezen. 31% van de ouders van 12-jarigen, 49% van de ouders van 14-jarigen en 64% van de ouders van 17-jarigen noemt dit als reden om het voorlezen te staken (Stichting Lezen, 2015).

De tijd die nul- tot zesjarige kinderen aan boekjes besteden om in te kijken of uit voorgelezen te worden, ligt in januari 2021 op gemiddeld 31 minuten per dag. Dit is een stijging van 29% ten opzichte van de 24 minuten een jaar eerder. Deze komt mogelijk door de coronamaatregelen ter preventie van de verspreiding van het coronavirus (Netwerk Mediawijsheid & Choice, 2021).

Doelgroep(en)

Trefwoorden