Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login
Datum: 
26 februari 2015
Auteur: 
Annemarie Terhell

INTERVIEW MET LOUIS TAVECCHIO
Vaders hebben een belangrijke voorbeeldrol voor hun kinderen en vooral hun zoons, ook als het gaat om (voor) lezen. Waarin zit hun toegevoegde waarde? Emeritus hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio weet: ‘Hun natuurlijke manier om met tekst om te gaan verruimt de blik van het kind op de wereld.’

foto: Marian Haringsma

‘Jonge vaders zijn meer dan hulpsinterklazen,’ retweette Louis Tavecchio in december; een kop uit de Volkskrant. Het betrof een opiniestuk dat pleitte voor meer betrokkenheid van de vader bij de opvoeding. De auteur, Betty Feenstra, was net bevallen van een tweede kind en ontdekte dat de zorg voor haar kindje al direct bij geboorte uit handen van de vader werd genomen. De zorgverleners, de overheid – iedereen stond direct in de startblokken om de prille vader in de marge te duwen.
Die afwerende houding ten opzichte van vaders is een bekend probleem. ‘Maternal gatekeeping’ heet het in vakjargon: vrouwen houden thuis de touwtjes strak in handen
en vaders krijgen (te) weinig ruimte om zich met de kinderen te bemoeien. Beau van Erven Dorens spreekt in het campagnefilmpje van het Vaders Voor Lezen-elftal zelfs
over ‘de moedermaffia’ die het opvoeddomein heeft geclaimd. ‘Vuurtjes stoken, gaan voetballen, gaan varen, surfen, dat is zo’n beetje wat vaders mogen.’ Maar vaders,
weet: ‘Ook voorlezen mág.’

Louis Tavecchio, die geldt als een autoriteit op het gebied van gezinspedagogiek, sprak tijdens een bijeenkomst rond Vaders Voor Lezen over het belang van vaders in de
(lees)opvoeding en over het wetenschappelijk bewijs dat er ligt. ‘De impact van vaders mag niet onderschat worden,’ onderstreept hij enkele weken later in zijn werkkamer
aan de UvA, met uitzicht over de Amstel. ‘Uit tal van empirische onderzoeken blijkt dat vroege vader-kind-interacties van groot belang zijn voor de cognitieve ontwikkeling, zoals taalverwerving. Een betrokken vader beïnvloedt de intelligentie van het kind positief. Als vaders de opvoeding warm ondersteunen, kan dat heel waardevol zijn.’

Doen vaders dan niet genoeg met hun kinderen?
‘In Nederlandse gezinnen heerst een vrij traditionele rolverdeling, zo blijkt ook uit de pas gepresenteerde Emancipatiemonitor. Wij winnen het wereldkampioenschap
parttime werkende moeders. Dat betekent dat vrouwen het gezin en hun rol daarin belangrijk vinden. Dertig procent van de hoogopgeleide vrouwen zit na tien tot vijftien
jaar op het beroepsniveau dat hun opleiding zou hebben voorspeld. Dat is weinig, en ligt niet aan het glazen plafond alleen – het ligt ook aan de keuze die veel vrouwen
maken. Ze vinden het gezin belangrijk en willen dat opvoedings domein niet zomaar uit handen geven.’

Is dat erg?
‘Nee. Tenzij je de maatschappelijke ‘‘return on investment’’ van hoog opgeleide vrouwen als probleem gaat beschouwen. Maar dat is een strikt economische benadering. Wel jammer is dat kinderen weinig mannelijke rolmodellen zien, zowel thuis als op school. Het is zonde dat mannen niet ook de kans grijpen om voor de klas te gaan staan, juist omdat ze zo belangrijk zijn in de ontwikkeling van kinderen. Het is goed als de ontwikkeling van een kind vanuit twee genderperspectieven benaderd kan worden. Ik denk, en daar zijn tal van bewijzen voor, dat de benadering van veel vrouwelijke leerkrachten vooral controlerend en beschermend is. Verbiedend ook. Jongens hebben meer interactiemomenten met de leerkracht dan meisjes, maar zeventig procent daarvan is restrictief: “Ik heb je toch gezegd dat?” “Waarom doe je het nou weer?” “Ga maar naar de gang.” Mannen gaan, gemiddeld genomen, anders om met problemen. Ze doen dat met humor, creativiteit, ze blijven ook minder lang boos. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat vrouwen geen geweldige inspanning leveren in het onderwijs. Al die vrouwen die wel de taak op zich nemen om voor de klas te staan, zonder hen zouden we het onderwijs kunnen opdoeken.’

Hoe komt het dat jongens zo restrictief benaderd worden?
‘Omdat leerkrachten tijdens hun opleiding niet attent worden gemaakt op verschillen. In de pedagogische literatuur die op veel pabo’s wordt gebruikt is nauwelijks informatie te vinden over verschillen tussen jongens en meisjes. Vrijwel niets! Er wordt over “kinderen” gesproken. Natuurlijk is dat een nobel uitgangspunt, maar we weten
al tien, vijftien jaar dat het verschil, ook op neurologisch gebied, er wel degelijk is. Het empirisch bewijs groeit alleen maar. Het is daarom noodzakelijk om er rekening
mee te houden. Je moet verschillen onderkennen, er creatief mee omgaan, ze respecteren. Doe niet net alsof jongens en meisjes hetzelfde zijn!’

Wat zijn de grootste verschillen tussen jongens en meisjes?
‘Een belangrijk verschil is de taalontwikkeling. Neurologisch gezien hebben meisjes gemiddeld een voorsprong van een tot anderhalf jaar aan het begin van de basisschool.
Die achterstand halen jongens moeilijk in, zeker omdat het onderwijs tegenwoordig een vrij talige interactie is geworden. De meiden lopen voorop in de klas, jongens hobbelen er zo’n beetje achteraan. En als ze een keer over de schreef gaan, krijgen ze een heel talig verhaal waarom het allemaal niet deugt wat ze doen, met een heleboel tekst en uitleg waar ze vaak de helft niet van snappen. Dan knikken ze maar om er vanaf te zijn.’

En verder?
‘Jongens en meisjes verschillen, gemiddeld genomen, ook in hun behoefte aan beweging en in ruimtelijke oriëntatie. In de pauze bestormen jongens het schoolplein, ze bezetten de hele ruimte en verkennen grenzen, springen het hoogst en rennen het hardst. Vaders moedigen dat aan, moeders denken vooral aan wat er mis kan gaan.
Het is daarom jammer dat er één sekse domineert: in het gezin, in de kinderopvang en in het basisonderwijs. Dat heeft niet alleen gevolgen voor jongens. Mannen zijn ook
anders in de mate waarin ze risico’s nemen. Bij mannen gaat het relatief vaker mis, maar ze leren daar wel van. Risico nemen zit in hun wezen, die houding brengen ze
over op het kind. Met al die vrouwelijke rolmodellen missen meisjes mogelijk ook een stuk assertiviteit, blijkt uit internationaal onderzoek. Ze hebben veel talenten – de
negens en tienen vliegen je om de oren – maar missen het lef om dat ook te verzilveren in hun beroepsniveau.’

Komen jongens dan wel optimaal tot hun recht op school?
‘Veel jongens zijn geen ideale schoolkinderen, ze hebben geen schoolse attitude, maar die wordt in het huidige onderwijs wel van ze verwacht. Tel daarbij op dat in onderwijsmethoden vaak wordt uitgegaan van een talige benadering, zelfs bij rekenopdrachten. Dat is mogelijk een erfenis uit de tijd dat we wilden dat meiden ook voor exact zouden kiezen; toen is besloten om meisjes te helpen door hun sterke aanlegfactor in te zetten: taal. Nu is het rekenonderwijs zodanig ingericht dat we via regels en uitgestippelde strategieën proberen de oplossing aan te bieden. Dat kan meisjes helpen, maar het werkt jongens tegen. Hun benadering van een probleem is anders; zij komen vaak door trial and error tot de oplossing. Als je taal gebruikt als vehikel om abstracties te leren en sommen te maken, kies je een te eenzijdige route en daar zijn jongens de dupe van. Daar heeft Robbert Dijkgraaf jaren geleden al op gewezen.’

Wat heeft de som van al die zaken tot gevolg?
‘Een deel van de jongens krijgt, door frustratie en afwijzing, een latente schoolhekel. Ze voelen zich minder gewaardeerd dan meisjes, ervaren veel conflicten met leerkrachten, of ze gaan onderpresteren. De meesten komen daar ondanks alle kleerscheuren toch goed uit, maar een deel van hen betaalt de prijs. Die groep is substantieel genoeg om rekening mee te houden.’

Wat zou er kunnen veranderen?
‘Meer mannen zouden de uitdaging moeten aangaan om voor de klas te gaan staan, en ook de onderwijsmethoden moeten tegen het licht worden gehouden. Heel interessant in dit verband is het onderzoek van Pim van der Pol. Die heeft aangetoond dat wanneer jongens hun taaluitingen kunnen combineren met handelingen, ze beter
in staat zijn tot talig gedrag dan buiten de spelsituatie. Het zou goed zijn om dat verder te onderzoeken. In het huidige onderwijs is het spelend leren uitgebannen.
De beste onderwijsgevenden zijn degenen die kinderen stimuleren om oplossingen te zoeken voor nieuwe problemen.’

Hoe zit het thuis? Wat is de invloed van mannen in de leesopvoeding en taalverwerving?
‘Ook daar zijn interessante resultaten gevonden. Als vaders een gevarieerde woordenschat gebruiken, hebben ze meer invloed op de ontwikkeling van het kind, zo blijkt
uit onderzoek. Frank Huysmans heeft laten zien dat er een uniek effect is van vaderbetrokkenheid op de leeswereld van kinderen. De stelling: ‘‘Mijn vader leest boeken’’
had meer invloed op de leesfrequentie van het kind, ook als moeders vaker voorlezen, vaker zelf lezen en vaker over boeken praten dan vaders.’

Dat klinkt alsof moeders een marginale rol vervullen.
‘Je moet voorzichtig zijn met interpretaties. Misschien is het positieve onderzoeksresultaat ook niet volledig toe te schrijven aan de vaderlijke manier van doen. Het kan
ook zo zijn dat het effect van de vader, die vaak meer op de achtergrond opereert, heel prominent aanwezig is als hij in actie komt. Dat kan vertekenen. Moeder die constant voorleest, vader die zo de kans krijgt te excelleren – het zijn factoren die met elkaar verstrengeld zijn, je kunt ze niet los bekijken.’

Waar ligt de toegevoegde waarde van vaders bij het voorlezen?
‘Vaders stellen tijdens het voorlezen meer waarom-vragen, gebruiken meer moeilijke, onbekende woorden. Ook verzinnen ze meer nieuwe verhaallijnen of ze vlechten er
bijvoorbeeld een probleemstellinkje doorheen. Dat is niet beter, maar anders. Het is prikkelend, stemt tot nadenken en maakt de communicatie complexer. Dat kan de
interesse in lezen versterken en belangrijk zijn in de ontwikkeling van taal. Vaders maken er een uitdagend spel van, slaan vaak een brug van het verhaal naar de buitenwereld en dagen het kind uit daarop te reageren. Niet dat vrouwen dat niet kunnen, maar mannen lijken van nature meer geneigd om dat te doen. Dus ik zou willen zeggen: benut dat. Vaders, dit zijn jullie talenten als voorlezer, gebruik ze!’

Vaders en voorlezen

Tegenover ieder uur dat een Nederlandse moeder met haar kinderen doorbrengt, staan 27,6 minuten van de vader. Nederlandse vaders bungelen hiermee op Europees
niveau onderaan. Deze relatief lage tijdsinvestering van Nederlandse vaders geldt ook voor de leesopvoeding, zo blijkt uit onderzoek van Stichting Lezen. Niet alleen
lezen vaders minder vaak voor en praten ze minder vaak over boeken, ook geven ze minder vaak het goede voorbeeld door zelf te lezen. Twee derde van de ouders beschouwt de leesopvoeding als een gedeelde taak, de rest vindt het toch meer een verantwoordelijkheid van de moeder. Een samenvatting van het onderzoek is te vinden op vadersvoorlezen.nl

Vaders Voor Lezen

Betrokkenheid van beide ouders bij de leesopvoeding is van groot belang voor de leesontwikkeling van kinderen. Begin 2014 is daarom onder de vlag van de Leescoalitie de campagne ‘Vaders Voor Lezen’ gestart. In het kader van deze campagne is veel kennis vergaard over de rol van de vader in de leesopvoeding.
Tijdens een expertmeeting op 17 december jl. werden de opvoedingsverschillen tussen vaders en moeders onder de loep genomen. Waarom blijven vaders
achter en hoe kan de betrokkenheid van vaders worden vergroot? Het verslag van deze bijeenkomst, inclusief verwijzingen naar relevant onderzoek, is hier te vinden.
 

Eerder verschenen in tijdschrift Lezen