Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login
Datum: 
10 juni 2014

Lezen voor de lijst, hoe doe je dat? Met een traditionele aanpak waarin cultuuroverdracht centraal staat, zodat leerlingen met voldoende literaire bagage de school verlaten? Of liever de keus (gedeeltelijk) vrijlaten en de individuele ontwikkeling van de leerling centraal stellen? Bovenbouwdocenten van verschillende vwo-scholen vertellen over hun zoektocht naar evenwicht. ‘Leesplezier en literatuurkennis kun je naast elkaar zetten, het hoeft niet over elkaar heen.’ 

Frans Laarmans moet schrijver worden

Wie durft het bij het ontkurken van de champagne op oudejaarsavond nog hardop te denken: ‘Bessen-appel. Help ons, eeuwige, onze God. Zie onze nood.’ Grote kans dat je voor godsdienstwaanzinnige wordt uitgemaakt. De tijd dat iedere schoolverlater kon citeren uit De avonden of andere klassiekers is voorbij. Met de invoering van de Tweede Fase in 1998 en de daarbij behorende onderwijsvernieuwing is de verplichte literatuurlijst zo goed als uitgestorven. Leerdoelen moesten worden doorberekend in studiebelastinguren en omdat lezen nu eenmaal veel tijd kost, werd de eindlijst gehalveerd tot acht titels voor het examen havo en twaalf voor het vwo.

Leesdossier

Zo kon het gebeuren dat niet iedereen W.F. Hermans meer kent of weet wat het Wereldtijdschrift is waarmee Frans Laarmans uit Lijmen / Het been deuren platloopt. De verschraling van literatuurkennis waarmee leerlingen de school verlaten leidde tot gemopper en protest. In 2007 werden de einddoelen voor de Tweede Fase versoepeld. Scholen hebben meer vrijheid terugveroverd om hun onderwijs naar eigen inzicht in te vullen, maar het gewoeker met lestijd en studiebelastingsuren blijft een punt. Zo besloot het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam onlangs om de leeslijst van 25 titels toch weer met vijf terug te brengen om ruimte te creëren voor een gedichtanalyse bij het mondeling examen. Leerlingen van het Marnix Gymnasium in diezelfde stad lezen achttien titels voor de eindlijst. Miriam Piters, docent Nederlands op laatstgenoemde school, vindt de opbrengst daarvan niet optimaal. ‘Leerlingen zijn bij ons behoorlijk vrij in hun literatuurkeuze en hebben de neiging om elkaar te kopiëren. In acht van de tien mondelingen levert dat geen gesprek op over literatuur op niveau. Leerlingen reflecteren nauwelijks op de boeken en vormen zich er geen mening over.’

Kaas

Liever zou Piters daarom terugkeren naar het leesdossier – een persoonlijk document met ruimte voor opdrachten, een bibliografie en een leesautobiografie. ‘Van mij mag het volume voor de eindlijst dan best teruggeschroefd worden, bijvoorbeeld naar twaalf titels. Maar dan hoort bij iedere titel wél een persoonlijke verwerkingsopdracht, die past bij het boek en de leerling. Voor de docent is dat proces arbeidsintensiever. Je moet je leerlingen goed kennen en creatieve opdrachten aanbieden waarmee ze hun kritisch denkvermogen kunnen scherpen. De opbrengst is dat leerlingen iets dóen met wat ze lezen.’ Vooral dat laatste is cruciaal wil literatuur iets teweegbrengen, denkt Piters. ‘Af en toe doe ik zo’n verwerkingsopdracht klassikaal. Vorig jaar heb ik een vijfde klas Kaas laten lezen van Willem Elsschot. De opdracht daarbij was: de hoofdpersoon is niet heel gelukkig in de keuze van zijn baan. Wat zou jij hem als arbeidspsycholoog adviseren, gebaseerd op wat je van hem weet? Zo’n opdracht doet aanspraak op het empathisch en analytisch vermogen van leerlingen, en tegelijk op hun schrijfvaardigheid. Je krijgt de leukste analyses terug. Het beste advies: Frans Laarmans moet schrijver worden. Dat is toch prachtig gevonden?’

Uitersten

Martijn Nicolaas, projectleider literatuur en lezen bij de Taalunie en medeorganisator van De Inktaap, was zelf zeven jaar docent op het Montessori Lyceum in Den Haag en vindt het jammer dat het Nederlandse beleid zo snel doorschiet naar uitersten. ‘In de jaren negentig, met de invoering van het studiehuis, moest alles wijken voor de leerlinggerichte aanpak. In de jaren 2000 kwam de makke aan het licht: ze doen geen kennis meer op, en hup, de focus verschoof weer naar kennisverwerving. Tegenwoordig wordt alles opgehangen aan het vrij lezen om te zorgen dat lezen leuk blijft. Waarom? Natuurlijk wil je als docent dat leerlingen ook na hun schoolcarrière met plezier een boek oppakken, maar dat betekent toch niet dat je Couperus links moet laten liggen? Leesplezier en literatuurkennis kun je naast elkaar zetten, het hoeft niet over elkaar heen.’

Kluun als springplank

Theo Witte, die als universitair docent is verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, weet dat je de beste resultaten behaalt als je beide combineert. Hij deed onderzoek naar het literaire ontwikkelingsproces van havo- en vwo-leerlingen en promoveerde in 2008 op Het oog van de meester, een proefschrift dat een empirische basis legt onder de problemen in het literatuuronderwijs. Zijn conclusie: je pakt leerlingen niet door ze in het diepe te gooien en direct hoge eisen te stellen. Witte: ‘Uit mijn onderzoek komen zes niveaus van literaire competentie naar voren, van belevend lezer tot beschouwend lezer op academisch niveau. In de praktijk heeft elk boek een bandbreedte van drie leesniveaus. Als je een leerling die in de vierde klas met weinig leeservaring binnenkomt gelijk een boek van Mulisch aanbiedt, komt dat niet binnen. Veel docenten hebben dan moeite om de boeken van Kluun toe te staan. Ik denk dat als leerlingen nog heel weinig hebben gelezen het toch wel handig is om ze te motiveren met boeken die ze leuk vinden. Dan is het helemaal niet erg om Kluun als springplank te gebruiken.’

Lezenvoordelijst.nl

Witte gebruikte zijn onderzoeksresultaten als basis voor lezenvoordelijst.nl, een website die stevig aan populariteit wint. De database bevat informatie over tweehonderd Nederlandse titels en het aantal bezoekers verdubbelde in het afgelopen jaar tot vijfduizend per schooldag. Recent werd de database uitgebreid met honderd titels voor de onderbouw, waarin eveneens rekening wordt gehouden met de moeilijkheidsgraad én de belevingswereld van de lezer. Lezenvoordelijst.nl helpt leerlingen stapje voor stapje klimmen.

Barry Roest doceert Nederlands op het A. Roland Holst College in Hilversum en is blij met de website. ‘Op onze school is lezenvoordelijst leidend bij de samenstelling van de literatuurlijst. Die keuze is bewust gemaakt, omdat het helderheid schept. Leerlingen die in 4 vwo binnenkomen, doen eerst een test om te zien op welk niveau zij zich bevinden. Datzelfde jaar lezen zij een boek op hun startniveau en gaan ze een stapje hoger. Je kunt heel inzichtelijk maken waar ze staan en waar ze naartoe moeten.’

Grasduinen

Lezenvoordelijst is samengesteld in nauw overleg met docenten en wordt ieder jaar middels een enquête in het veld geactualiseerd. Het biedt daarmee een weloverwogen, maar beperkte keuze uit het totale aanbod van Nederlandse literatuur. Het klinkt paradoxaal, maar volgens Roest leidt die beperking in keuzevrijheid juist tot diversiteit. Leerlingen hoeven niet in het diepe te springen. ‘Je voorkomt ermee dat ze geen idee hebben waar te beginnen en gaan zoeken in de kast van hun oma of tante om vervolgens allemaal weer met Harry Mulisch of Jan Wolkers te komen aanzetten. Op lezenvoordelijst staan ook recente titels. Leerlingen kunnen gaan grasduinen in een overzichtelijk aanbod en hun eigen ontdekkingen doen.’

Lezen met Twitter

Het Candea College in Duiven kiest voor een strakkere invulling, maar gebruikt naast lezenvoordelijst ook een eigen selectie. De sectie Nederlands stelt elk jaar zelf een lijst samen met canonieke werken waaruit alle leerlingen uit de bovenbouw er twee moeten kiezen. Aangevuld met twee titels van lezenvoordelijst komt het totaal aantal te lezen boeken uit op vier per leerjaar. Docent Arnoud Kuijpers: ‘Aan boekverslagen doe ik niet, die kun je zo van internet plukken. Liever laat ik ze een Twitteraccount aanmaken voor hun hoofdpersonage. Tijdens het lezen kunnen ze tweets versturen als er iets belangrijks in het verhaal gebeurt, zoals: ben heel verdrietig, mijn vriend is dood. De hoofdpersonen kunnen op elkaars Tweets reageren, dat is erg grappig.’

LiteraTour

Welke aanpak je als school ook kiest, enthousiasme maakt lezers. Voor Kuijpers zijn projecten als Nederland Leest Live! daarbij van grote waarde. ‘Dit jaar hebben onze leerlingen bij Erik of het klein insectenboek een “lipdub” gemaakt, een clip waarin een bestaand nummer wordt geplaybackt en in één take met een grote groep mensen wordt opgenomen. Ze speelden het verhaal na en gebruikten daarbij het hele schoolgebouw. We zijn ermee naar de livestream-uitzending van Nederland Leest Live! geweest.’ Ook LiteraTour, de schrijverstournee rond de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs, was een succes. Kuijpers: ‘Twee jonge schrijvers die in je eigen klas komen, dat spreekt leerlingen enorm aan. Na afloop kregen we een boekenpakket met alle tien genomineerde titels voor de DJP. Ik zag dat er meteen een behoefte ontstond om te lezen. Dan heb je de vertaalslag van waardevolle literatuur naar leesplezier toch te pakken?’ •••