Sinds 2023 pleit de Zweedse overheid voor een hernieuwde focus op fysieke boeken en papier en pen in de klas, om de dalende leesvaardigheid van kinderen en jongeren een halt toe te roepen. Wat betekent dit terugdraaien van de digitalisering voor het onderwijs in de praktijk? Helpt dit de door de Zweedse overheid uitgeroepen leescrisis te bezweren? En moet Nederland Zweden volgen?

Zweden staat bekend als een wereldwijde pionier in digitale innovatie. Ook in het onderwijs is jarenlang ingezet op het benutten
van de kansen van digitalisering. Basisschoolleerlingen moesten leren programmeren. Boeken werden verruild voor laptops en tablets. En vanaf 2019 werd zelfs in het kleuteronderwijs het gebruik van digitale middelen verplicht, om zo de allerjongsten voor te bereiden op een steeds digitalere samenleving. Maar de huidige Zweedse rechtse regering, die sinds 2022 aan de macht is, heeft een fundamentele koerswijziging ingezet vanuit het motto ‘från skärm till pärm’ – vrij vertaald: ‘van scherm naar boek’. Een tablet voor kinderen jonger dan twee jaar wordt ondertussen sterk ontraden. De digitale middelen zijn de kleuterklas weer uit. En smartphones mogen binnenkort ook niet meer op school van minister van Onderwijs Lotta Edholm. Daarnaast is bij wet vastgelegd dat alle scholen – ongeacht het niveau – een schoolbibliotheek moeten hebben met gediplomeerde en kundige bibliothecarissen, is er extra geld vrij ge-maakt om de fysieke boekencollecties uit te breiden, en komen er specifieke leeslijsten.
Afnemende scores
Het beleid wordt gezien als een reactie op de verontrustende resultaten van de laatste internationale PISA-onderzoeken. De Zweedse scores voor leesvaardigheid nemen al jaren af. Inmiddels heeft een kwart van de Zweedse vijftienjarigen moeite met begrijpend lezen. ‘Die achteruitgang begon in de loop van de jaren 2000,’ zegt Åse Hedemark, Senior Lecturer en Associate Professor in Bibliotheek- en Informatiewetenschappen aan de Universiteit van Uppsala. ‘En niet alleen was er sprake van een algemene daling in leesprestaties, maar ook van een krimpend aandeel zeer vaardige lezers en een groeiend aandeel laag presterende lezers.’
Ondanks deze ontwikkelingen wil Hedemark niet direct over een leescrisis spreken, zoals de Zweedse regering doet. ‘Er zijn absoluut redenen om de dalende leesprestaties serieus te nemen,’ erkent ze, ‘maar met de term “crisis” ben ik voorzichtig. Uit onderzoek blijkt dat crisisretoriek een krachtig politiek middel is. De huidige, vermeende leescrisis reduceert ingewik-kelde maatschappelijke, sociale en educatieve kwesties tot één enkel probleem, dat dringend opgelost moet worden. Het roept ook een enigszins nostalgisch beeld op van een verleden waarin het leesonderwijs blijkbaar beter functioneerde.’
‘Het is interessant op te merken dat de slogan “från skärm till pärm” een woordspeling is op de Zweedse uitdrukking “från pärm till pärm” wat “van kaft tot kaft” betekent en vooral aangeeft dat de politiek terug wil naar meer tradi-tionele vormen van lezen en geletterd-heid,’ vervolgt ze. ‘Het ingezette leesbeleid zie ik daarom als onderdeel van een bredere conservatieve wending in het Zweedse onderwijs- en cultuurbeleid.
Er is groeiende steun voor een terugkeer naar meer traditionele onderwijspraktijken, waarbij de nadruk op de cognitieve ontwikkeling van leerlingen ligt. Daartoe komt er naast de verplichte, bemenste schoolbibliotheken een nieuw curriculum, dat overigens nog steeds voorziet in lessen programmeren, met ook aandacht voor AI.’
De schuld van de digitale media?
Evengoed erkent Hedemark dat de manier waarop kinderen en jongeren hun tijd besteden, communiceren en informatie tot zich nemen, de afgelopen decennia enorm is veranderd – vooral door het gebruik van digitale media. En dat dit wel degelijk hun leesprestaties beïnvloedt. Maar ze blijft erbij dat het te kort door de bocht is om het dalende leesniveau direct te wijten aan het gebruik van digitale middelen thuis en in het onderwijs: ‘Leesprestaties en onderwijskundige resultaten worden beïnvloed door een complex samenspel van maatschappelijke, technologische, educatieve en economische omstandigheden. Zoals de marktwerking, het docententekort, de salarisvoorwaarden en de toenemende administratieve last voor leraren.
We moeten die complexiteit in gedachten houden bij het bespreken van zowel de problemen als de oplossingen.’ Onderzoeksspecialist bij Stichting Lezen Niels Bakker, die promoveerde op het verschil tussen digitaal lezen en lezen van papier, ziet dat het publieke debat in Nederland over de achteruitgang in leesvaardigheid en begrijpend lezen van kinderen en jongeren niet heel anders verloopt dan in Zweden.
‘De discussie over digitaal versus analoog onderwijs wordt veel scherper gevoerd dan voorheen,’ zegt hij. ‘Die wordt vooral belicht vanuit de schadelijke effecten die het zeer intense gebruik van digitale schermmedia door de jeugd met zich meebrengen. Denk aan cyberpesten, eenzaamheid en isolatie, verslavingsgedrag en, in de context van leren en lezen, gebrekkige concentratie en oppervlakkig begrip.’
‘Ook in Nederland worden de digitale media vaak aangewezen als grote boosdoener voor de achteruitgang in leesvaardigheid en begrijpend lezen die de PIRLS- en PISA-onderzoeken laten zien,’ aldus Bakker. ‘De toegenomen daling tijdens corona heeft hieraan verder bijgedragen: het gebruik van digitale media was in die periode immers nog intenser. Maar het Nederlandse leesonderwijs werkt ook niet mee: dat is heel methodegericht en leert leerlingen trucjes aan om teksten vooral strategisch te lezen. Die leeshouding is erg instrumenteel: leerlingen lezen teksten niet uit interesse en vanwege de inhoud, waardoor hun tekstbegrip oppervlakkig blijft. Dit heeft directe, nadelige gevolgen voor de leesvaardigheid.’
Lezen als sociaal en cultureel fenomeen
Hedemark wijst erop dat het dus moeilijk is om algemene uitspraken te doen over of de ene manier van lezen van nature effectiever is dan de andere. ‘Lezen,’ vindt zij, ‘moet ook worden benaderd als een sociaal en cultureel fenomeen. Of mensen lezen, wat ze lezen en hoe ze lezen ervaren, wordt beïnvloed door tal van factoren: de sociale omgeving, de maatschappelijke status van lezen, welke vormen van lezen gewaardeerd worden…
In mijn eigen onderzoek heb ikbijvoorbeeld ontdekt dat jonge mensen lezen heel verschillend waarderen, afhankelijk van of het verplicht op school gebeurt of in hun vrije tijd. Sommigen lezen veel buiten school, maar identificeren zichzelf toch niet als lezers. Dit suggereert dat lezen een veel complexer fenomeen is dan het onderwijs en de politiek soms aannemen. Er is een verscheidenheid in de dagelijkse leespraktijk die niet altijd terugkomt in de huidige beleidsdiscussies, waarin het vooral over meetbare resultaten en leesvaardigheid gaat.’
Bakker bevestigt dat het risico op de loer ligt dat het onderwijs, politici en beleidsmakers een kokervisie ontwikkelen
waarin lezen gereduceerd wordt tot leesvaardigheid. Toch denkt hij niet dat de discussie over lezen en leesonderwijs in Nederland te eenzijdig wordt gevoerd: ‘Hoewel ook bij Stichting Lezen de aandacht vaak uitgaat naar leesvaardigheid en meetbare uitkomsten, is er voldoende focus op het sociale en culturele aspect van lezen: tijdschrift Lezen is hier een uiting van, maar ook het integreren van thematisch leesonderwijs in de Bibliotheek op school, waarbij het lezen wordt georganiseerd rondom thema’s die verschillende vakken met elkaar verbinden, zoals burgerschap en culturele en kunstzinnige vorming.’
Visie papier versus digitaal
En wat betreft de keuze tussen analoog of digitaal leren lezen? Daarover zegt Bakker: ‘Veel leesonderzoekers in Nederland, onder wie ikzelf, hebben geen duidelijke pro of contra. Hoewel de evidentie neigt naar voordelen van papier, blijft er onderzoek verschijnen dat laat zien dat digitaal positieve effecten op het lezen kan hebben. Zo bieden animaties in digitale prentenboeken steun bij het leren van nieuwe woorden, en een luisterversie in leesboeken bij het leren lezen. Vooral kinderen met taal- en leesproblemen hebben hier baat bij. Daarom hebben wij vanuit Stichting Lezen een visie ontwikkeld met adviezen voor docenten en andere leesbevorderaars over de voor- en nadelen van papieren en digitale leesmedia per doelgroep.’
Toch staat Bakker wel positief tegenover het van-scherm-naar boekbeleid van de Zweedse overheid. ‘Nederland doet er wijs aan om Zweden te volgen,’ zegt hij. ‘En in zekere zin doen we dit al. Stichting Lezen heeft eerder dit jaar meegewerkt aan twee moties over het terugdringen van schermgebruik in het onderwijs. In de eerste motie wordt onder meer gepleit voor het lezen van papieren boeken vanwege de meerwaarde voor diep lezen en diepgaand tekstbegrip. De tweede motie stelt voor dat elke school in het funderend onderwijs verplicht moet beschikken over een schoolbibliotheek met een rijke boekencollectie en kundig personeel. Deze motie zou een basis kunnen vormen om dit bij wet te regelen, net als in Zweden. Het sluit ook mooi aan op de doelstellingen in het Beleidsplan 2025-2028 van Stichting Lezen, dat inzet op een mediatheek op elke school. De moties zijn ondertussen aangenomen.’
Het crisisnarratief blijft
Of de neerwaartse leesspiraal een halt kan worden toegeroepen met minder scherm en meer papier? Hedemark denkt dat de hernieuwde nadruk op fysieke boeken en handmatig schrijven niet per se betekent dat de zorgen over lezen zullen verdwijnen: ‘Leescrises hebben de neiging in de loop der tijd van karakter te veranderen. Zo ging het er in eerdere leescrises bijvoorbeeld
over of mensen wel de goede soort literatuur lazen. De focus kan verschuiven, maar het onderliggende crisisverhaal zal standhouden.’ Bakker onderstreept dat laatste: ‘De enige weg eruit is een opleving van de leesvaardigheid. Dat acht ik evenwel onwaarschijnlijk – de trend van minder en oppervlakkig lezen zal blijven bestaan door het informatieaanbod op internet dat door AI alleen maar groeit. Maar ik wens dat ik ongelijk krijg, en dat aandacht voor diep lezen op school, door investeringen in bibliotheken met fysieke boekencollecties, leidt tot een cross-over naar buitenschoolse contexten. Dat hoeft niet te betekenen dat we digitaal uit onze levens bannen – liever niet, daarvoor zijn de voordelen toch te groot – maar wel dat het gebruik ervan meer in balans raakt.’
Dit artikel verscheen in tijdschrift Lezen 3 van 2026. De tekst is geschreven door Mirjam Noorduijn en de illustrataie is van Rosa Snijders.