icon home

Vaak signaleert auteur Ernest van der Kwast een leesweerstand bij middelbare scholieren en ziet hij hen worstelen met hun boekenkeuze. ‘Schrijf eens over ons,’ zeiden ze, toen hij vroeg wat voor boeken ze wél zouden willen lezen. Zo geschiedde: ‘Schooljaren heb ik écht voor de doelgroep geschreven.’

Interview met Ernest van der Kwast.
Foto: Elisabeth Tijssen

‘We moesten dit schooljaar boeken lezen. Literatuur,’ vertelt de ik-persoon in Schooljaren. ‘Het klonk niet alleen saai, het wás ook saai. […] Literatuur mepte je meteen in coma.’ Ja, in zijn nieuwe boek is Ernest van der Kwast solidair met jongeren en toont hij begrip voor hun verzet tegen het leesonderwijs. ‘Je middelbareschooltijd is een snelkookpan van gebeurtenissen en emoties. Je hormonen en gevoelsleven veranderen compleet en ondertussen moet je heel veel: huiswerk, sporten, werken… Voor lezen blijft vaak weinig tijd over. Of je hebt er gewoon geen zin in, omdat je moe bent.’ Toch is Van der Kwast ervan overtuigd dat je leerlingen kunt bereiken: ‘Als ik voor een klas sta, zie ik het als mijn taak om ze als oesters open te breken. Ik wil laten zien wat er mooi is aan verhalen, wat die kunnen betekenen. Wees iets minder cynisch, zeg ik tegen ze, want cynisme helpt je niet verder. Ik klink wel heel evangelisch nu, toch komen er dan ineens vragen. Of mijn werk niet saai is; wat ik wil bereiken als schrijver; waarom ik schrijf.’

Wat antwoord je op die laatste vraag?

‘Dat ik hoofdzakelijk schrijf om het hart van vrouwen van achtentwintig tot tweeënveertig sneller te laten kloppen. [Lacht] Dan zie je ze vertwijfeld kijken méént hij dit nou? Daarna vertel ik natuurlijk hoe het echt zit, dat ik vooral schrijf om mezelf en anderen te raken. Als je het gesprek open aangaat, raken leerlingen best geïntrigeerd, is mijn ervaring. Ik herinner mij een jongen met een Turkse achtergrond die een afkeer had van literatuur omdat hij Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers moest lezen. Dat is natuurlijk een mooi verhaal, maar met zijn achtergrond begreep ik dat het niet aansloeg. Ik heb hem toen De gevangenisjaren van Erdal Balci getipt – dit gaat over jou, zei ik, en dat hij mij een tikkie mocht sturen als hij het wilde kopen om te lezen. Dat heeft hij gedaan.’

Een van de personages in je nieuwe boek wil alleen tegen betaling lezen, omdat hij geen driehonderd pagina’s wil doorworstelen als hij in die tijd ook tweehonderd euro kan verdienen. Is dit echt gebeurd?

‘Ja, op een school in Lochem trof ik een leerling die niks met literatuur had en totaal geen trek in mijn nieuwe boek. Ik heb toen een deal met hem gesloten. Ieder hoofdstuk dat ik afhad, zou hij lezen. Per hoofdstuk zou ik hem uitbetalen. Dat heeft gewerkt. Zijn open aanmerkingen heb ik tijdens het schrijven gebruikt. En hij weet nu: lezen ís niet de hel. Inmiddels is Schooljaren gratis verspreid onder alle vierdeklassers in Rotterdam, van vmbo-tl tot gymnasium, vergezeld van een lesbrief en een poster met ‘Dood aan het boekverslag.’ [lachend] Als dit boek iets teweeg kan brengen, dan hoop ik dat het maken van boekverslagen massaal uit het lesprogramma wordt geschrapt. Ik vind het een draak van een opdracht. Helemaal nu scholieren op AI kunnen terugvallen.’

Jij las wel als middelbare scholier?

Interview met Ernest van der Kwast.
Foto: Elisabeth Tijssen

‘Niet toen ik naar de middelbare school ging. In ons gezin werd ook niet veel voorgelezen. Mijn vader vertelde wel zelfverzonnen verhalen, en mijn broers en ik waren lid van de bieb. Ik leende en las vooral strips. De stap naar romans heb ik pas gezet op de middelbare school, door toch die docent Engels die met ons The Catcher in the Rye van Salinger las. Hé, dacht ik, er is nog iemand die de wereld haat, en hij heeft er woorden voor. Ook was ik geïntrigeerd door Hermans’ Nooit meer slapen. Dankzij onze docent Nederlands ken ik deze zin nog steeds uit mijn hoofd: “Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich te bevrijden uit zijn kosmische isolement door te begrijpen.” Hij declameerde dit voor de klas en dat maakte indruk. Eerst denk je, waar gaat dit over? Dan dringt het tot je door: we zijn dus eenzaam als mens, en we proberen ons daaruit te bevrijden door dingen te begrijpen maar kunnen we dat eigenlijk wel?’

Jij had dus geluk met inspirerende docenten.

‘Zeker. Die heb je nodig. Zonder mijn dramadocent, theaterregisseur Jules Terlingen, was ik nooit schrijver geworden. Ik weet nog goed dat ik in de eerste van het Erasmiaans Gymnasium kwam en er een week lang door het hele schoolgebouw, van de kelder tot de bovenste lokalen, een bewerking van Hamlet werd opgevoerd. Alle voorstellingen waren uitverkocht, de hele school deed mee. Er waren ook leerlingen die de techniek verzorgden, de kostuums, de grime, noem maar op. En het was een buitenschoolse activiteit hè, vrijwillig. Iedereen voelde: dit is iets unieks. Dat cynisme dat ik tegenwoordig tegenkom, was er toen ook. Maar dat verdween onder de bezielende leiding van Terlingen.’

Wat was jouw rol?

‘Ik wilde natuurlijk acteren. Maar Terlingen twijfelde aan mijn acteertalent. Hij vroeg of ik in plaats daarvan enkele scènes wilde bewerken. Ik ben dat gewoon gaan doen. Er ging een wereld voor mij open. Ik ontdekte dat ik wél iets leuk vond in het leven: schrijven. Met andere leerlingen vormden we later een schrijverscollectief. In onze hele middelbareschooltijd hebben we zo’n dertienhonderd pagina’s toneeltekst geschreven. Daar heb ik veel van geleerd. Bijvoorbeeld dat een tekst beter wordt door samen te werken, en dat je eigen tekst niet heilig is. Aan het eind van mijn schooltijd heb ik met Jorg Schellekens voor het Ro Theater Kater, dood is een gimmick geschreven, mijn eerste betaalde schrijfopdracht. Het stuk, onder regie van Terlingen, werd gespeeld door medeleerlingen en eindexamenstudenten van de toneelschool.’

Wie wil schrijven moet veel lezen, zeg je in Schooljaren. Dat deed je ook?

‘Oh ja, ik las alles. Met een groepje leerlingen gingen we regelmatig naar boekhandel Donner. Daar kenden we een verkoper die ons twintig procent korting gaf. Zwaar illegaal natuurlijk, maar hij deed dat gewoon. Daardoor kochten en lazen we mooie edities van Bukowski, over de schaduwzijde van Amerika, vol drank, drugs en seks. En van Bukowski gingen we naar John Fante en William Burroughs, zoals we van Reve en Wolkers naar Giphart en Grunberg gingen. Zo maakten we hele reizen door de literatuur en de wereld. Die ruimte om te ontdekken gun ik jongeren nu ook.’

Dit artikel verscheen in Lezen 2, 2026. Tekst Mirjam Noorduijn. Foto’s Elisabeth Tijssen.