icon home

Tekst: Mirjam Noorduijn. Foto: Dorith Mous 

Sinds haar geprezen hertaling van Alleen op de wereld heeft kinderboekenschrijver Tiny Fisscher zich ontpopt tot heuse klassiekerbewerker. Zelfs Alice in Wonderland – zo’n beetje de moeilijkst denkbare vertaaluitdaging – durfde ze aan: ‘Ik wil die klassiekers toegankelijk maken voor nieuwe generaties. Je hebt er niets aan als ze niet gelezen worden.’ 

Schrappen kan en moet soms, vindt Tiny Fisscher, want je wilt niet dat kinderen afhaken. Dus liet ze in haar versie van Alleen op de wereld de lange natuurbeschrijvingen achterwege en vind je in Alice tuimelt in Wonderland Lewis Carrolls befaamde nonsensgedichten niet terug. ‘Die waren veel te 1865,’ stelt ze achter in het boek. Maar met de taal moet je behoedzaam omgaan. ‘Een klassieker toegankelijk maken, betekent niet dat je geen moeilijke woorden en lange zinnen kunt schrijven,’ licht Fisscher toe, ‘of dat je de taalrijkheid eruit haalt. De sfeer van de taal probeer ik zoveel mogelijk te behouden. Ik ben constant aan het zoeken naar de juiste woorden en zegswijzen. Zodat ze het origineel weerspiegelen, maar tegelijkertijd aansluiten bij het hedendaagse Nederlands.’ 

Hoe vind je de goede woorden en zinnen? 

‘Voordat ik aan een nieuwe bewerking begin, lees ik altijd de oorspronkelijke tekst. Mijn Frans en Engels zijn daar goed genoeg voor. Daarna volgen de integrale vertalingen, aangevuld met annotaties en andere achtergrondinformatie. Zo maak ik mij het verhaal eigen en kan ik bepalen wat voor mij de essentie is. Het hertalen doe ik intuïtief: de woorden die ik kies moeten voor mijn gevoel kloppen. Daar kunnen flinke zoektochten aan voorafgaan. Soms broed ik een heel weekend op een enkele zin. En ja, ik pak er dan zeker ook woordenboeken bij. Of ik kijk op synoniemen.net. [lachend] Dat is verreweg mijn beste schrijfmaatje: het ene woord brengt mij op het andere, totdat mij ineens de oplossing te binnen schiet.’ 

Dat klinkt als ingewikkelde taalpuzzels. 

‘Zeker – het zijn enorme puzzels. Een van de moeilijkste vond ik het schrijven van mijn versie van Romeo en Julia. Ik heb eigenlijk niet zoveel met Shakespeare. Maar ik wilde dit toneelstuk per se omwerken tot een roman: bijna iedereen weet dat het verhaal over een verboden liefde tussen twee jongeren gaat en dat het slecht afloopt. Maar het precieze verloop van de gebeurtenissen is bij velen onbekend. Ik wilde jonge mensen van nu toegang geven tot deze liefdesklassieker en proza leek mij daarvoor de beste optie. Toevallig viel dit samen met het idee van Blossom Books om een youngadultklassiekerreeks te beginnen. Toen kon ik er niet meer onderuit. De grootste struikelblokken? Shakespeares puns: die taalgrappen zijn zo karakteristiek voor zijn werk dat je ze het liefst allemaal zou willen handhaven. Tegelijkertijd kun je ze niet zomaar letterlijk overnemen als je wilt dat ze ook in het Nederlands landen.’ 

En vervolgens dacht je: als Shakespeare lukt, lukt Alice in Wonderland vast ook? 

‘[lachend] Nou, nee – ik was helemaal niets van plan met Alice. Dat boek is al zo vaak vertaald, bewerkt, verfilmd… Maar toen kreeg ik een uitnodiging van het Lewis Carroll-genootschap of ik wat wilde komen vertellen over mijn visie op hertalingen. Aanvankelijk twijfelde ik: wat wist ik nou van Alice? Uiteindelijk heb ik toch toegezegd en moest ik mij wel gaan verdiepen in het boek. Zo’n beetje alle bewerkingen en vertalingen, geannoteerde versies en artikelen over wat Carroll wel of niet bedoeld zou hebben met zijn Wonderland heb ik in huis gehaald. Tijdens het interview bij het genootschap begon het te kriebelen. Ik realiseerde mij dat het voor veel kinderen een ingewikkeld boek is. De woordgrappen zijn zelfs voor volwassenen niet altijd te volgen, hoe goed sommige vertalingen ook zijn. Ik dacht: als ik Alice ga hertalen, dan wil ik dat het in ieder geval voor kinderen leuk is. Want wat heb je aan klassiekers die niet gelezen worden? Toen ik eenmaal voor mijzelf had bepaald dat het verhaal vooral gaat over het vinden van je eigen vorm – Alice verandert voortdurend van groot naar klein en weer terug, en dat vindt ze heel verwarrend – wist ik: hier kunnen kinderen wat mee, dus ik ga het gewoon doen.’ 

Was je je bewust van wat je te wachten stond? 

‘Niet echt, geloof ik. Mijn hemel, er zit zóveel in: dit boek is één groot taalavontuur. Het was alsof ik zelf in dat konijnenhol was gevallen. De dubbelzinnigheden, de woordgrappen – waar was ik in terechtgekomen? Het ene na het andere dilemma diende zich aan. Wat moest ik bijvoorbeeld met de scène waarin de treurpad aan Alice over zijn schoolvakken op de zeeschool vertelt? Van reading and writing maakte Carroll “Reeling and Writhing” – beide woorden hebben diverse betekenissen, zoals wankelen, duizelen, worstelen – maar hoe deed ik dat in het Nederlands? Ik heb daar “racen en drijven” van gemaakt. In vorm en klank weerspiegelt dit enigszins het Engelse origineel en in betekenis past het bij zeedieren die al naargelang snel of langzaam gaan.’ 

Op welke taalvondsten ben je werkelijk trots? 

‘Dan blijf ik nog even bij de treurpad, die ook nog “Mystery” en “Seography” op school krijgt. Daar heb ik lang over gedubd. Totdat ik ineens op “misschiedenis en aandrijfkunde” kwam. Ik vond dat de vondst van de eeuw. Al was ik eveneens enorm blij met mijn vertaling van de grijnzende Cheshire Cat als Lapjeskat, omdat die iedereen voortdurend voor het lapje houdt. 
Ik moet hier trouwens zeker ook de bijzondere samenwerking met Jeska Verstegen noemen. Zij heeft de surrealistische sfeer in het verhaal zo goed aangevoeld en heeft met haar illustraties zoveel toegevoegd. Alice tuimelt in Wonderland is echt een boek van ons samen.’ 

Welke hertaling staat bovenaan? 

‘Met stip Alice. Ik heb er zoveel plezier aan beleefd. En het was zo’n grote uitdaging. Niet alleen door het taalspel, maar ook omdat Alice al zo vaak gedaan is. Ik heb mijn nek durven uitsteken en dat geeft mij een goed gevoel. Ik maak soms het grapje dat ik net als Alice “grootmaakkoekjes” heb gegeten. Ik voel dat ik gegroeid ben, als mens en schrijver. Ik merk dat ik in mijn teksten steeds meer door taal word gedreven. Al die hertalingen hebben daartoe zeker bijgedragen. Iedere schrijver heeft een eigen stijl en taalgebruik. In de ruim tien jaar dat ik nu klassiekers bewerk, ben ik mij daarvan nog veel bewuster geworden, en heb ik van die schrijvers enorm veel geleerd.’ 

Tiny Fisscher (1958) debuteerde als kinderboekenschrijver met En dan was ik de prinses (1999). Ze schrijft voor alle leeftijden en heeft ruim zestig boeken op haar naam staan, waaronder klassiekers als De kleine prins (2019), Oliver Twist (2020) en Reis om de wereld in 80 dagen (2021). Het licht filosofische prentenboek Het geluk van Schildpad (met illustraties van Barbara de Wolf, 2022) kreeg een Zilveren Griffel. Alice tuimelt in Wonderland verscheen dit jaar.