20 december 2021

35% van de Nederlanders van 14 jaar en ouder leest weleens voor uit een boek (papier en/of digitaal). 8% doet dit (bijna) elke dag, en 8% minstens een keer per week. Doorheen de jaren lijkt het voorleesgedrag van de bevolking af te nemen. In werkelijkheid kan de oorzaak voor deze daling liggen in veranderingen in vraagstelling en meetmoment (KvB Boekwerk & GfK, 2021, meting 55, 53, 45, 37; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2013).

Nederlanders die voorlezen doen dit met name aan kinderen. Dit gebeurt het vaakst in de hoedanigheid van ouder, gevolgd door grootouder en/of een ander familielid. Voorlezen is hiermee een activiteit die hoofdzakelijk plaatsvindt in de huiselijke, familiale sfeer (KvB Boekwerk & GfK, 2021, meting 55). Het komt minder vaak voor dat volwassenen aan kinderen voorlezen op school, in de bibliotheek of in de zorg. Ditzelfde geldt voor het voorlezen aan volwassenen, zoals partners aan elkaar, een kind aan de ouders of een vriend aan een vriend of vriendin (KvB Boekwerk & GfK, 2018, meting 45; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

De meest genoemde reden om niet voor te lezen is het ontbreken van een ander mens om aan voor te lezen. 60% van de niet-voorlezers heeft geen kinderen om zich heen om aan voor te lezen; 40% geen volwassenen. Andere, door minder mensen genoemde redenen zijn ‘niet van voorlezen houden’ (15%), ‘er weinig tijd voor hebben’ (10%) en ‘niet goed kunnen voorlezen’ (5%) (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Doelgroep(en)