10 februari 2021

Vier op de tien Nederlanders lezen weleens voor uit een boek (papier en/of digitaal). 7% doet dit (bijna) elke dag, nog eens 8% minstens een keer per week. Het aantal voorlezers gaat op en neer ten opzichte van voorgaande jaren: in 2018 las een derde wel eens voor, in 2017 vier op de tien. In vergelijking met de periode tot en met 2016 lijkt er sprake van een daling. Deze kan ook veroorzaakt zijn doordat het onderzoek toen een andere vraagstelling kende (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49; KvB Boekwerk & GfK, 2016, meting 37; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2013).

Nederlanders die voorlezen doen dit met name aan kinderen. Dit gebeurt het vaakst in de hoedanigheid van ouder, gevolgd door grootouder en/of een ander familielid. Voorlezen is hiermee een activiteit die hoofdzakelijk plaatsvindt in de huiselijke, familiale sfeer. Het komt minder vaak voor dat volwassenen aan kinderen voorlezen op school, in de bibliotheek of in de zorg. Ditzelfde geldt voor het voorlezen aan volwassenen, zoals partners aan elkaar, een kind aan de ouders of een vriend aan een vriend of vriendin (KvB Boekwerk & GfK, 2019, meting 49; intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

De meest genoemde reden om niet voor te lezen is het ontbreken van een ander mens om aan voor te lezen. 60% van de niet-voorlezers heeft geen kinderen om zich heen om aan voor te lezen; 40% geen volwassenen. Andere, door minder mensen genoemde redenen zijn ‘niet van voorlezen houden’ (15%), ‘er weinig tijd voor hebben’ (10%) en ‘niet goed kunnen voorlezen’ (5%) (intern rapport Stichting Lezen & GfK, 2014).

Doelgroep(en)