Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login

REBEL, OF ZENDELING?

Datum: 
6 maart 2020

Vandaag begint De Boekenweek. Lezen interviewde Özcan Akyol naar aanleiding van zijn Boekenweekessay.

WELKOM IN DE BOEKENWERELD −Schrijver en columnist Özcan Akyol (1984), ook wel bekend als Eus, schreef dit jaar het Boekenweekessay en vindt dat de wereld van de literatuur moet worden opgeschud: ‘Álle lezers moeten zich welkom voelen in de boekenwereld.’

‘Het thema van de Boekenweek 2020, rebellen en dwarsdenkers, is mij op het lijf geschreven,’ zei Özcan Akyol toen hij vorig jaar hoorde dat hij was uitverkoren om het Boekenweekessay te schrijven. Maar op de vraag of hij zichzelf als rebel ziet, antwoordt hij wat vertwijfeld: ‘Ik ben een gewone jongen. Al beschouw ik mezelf wel als een non-conformist. Ik doe wat ik wil: ik maak televisie en radio, schrijf boeken en columns, doe ook commercials. Sommige mensen keuren dat af omdat ze me niet kunnen plaatsen. Maar daar heb ik maling aan. Ik ben niet iemand die zich aanpast aan heersende meningen, of die probeert te voldoen aan de verwachtingen van een groep. Die druk heb ik jarenlang ervaren in mijn jeugd, vanuit de Turkse samenleving en mijn ouders. Die fase heb ik achter me gelaten. Ik probeer zoveel mogelijk autonoom te zijn. Ik weet niet of dat je een rebel maakt?’

Vastgeroeste opvattingen

Wat Akyol wel zeker weet is dat er veel meer schrijvers autonoom zouden moeten durven zijn. Daar pleit hij ook voor in zijn Boekenweekessay. ‘De literaire wereld is oubollig en zit rigide in elkaar,’ licht hij vurig zijn mening toe. ‘Schrijvers doen zich voor als progressieve mensen, maar als het gaat om hun eigen vakgebied zijn ze erg conservatief. Toen ik acht jaar geleden debuteerde [met de schelmenroman Eus, mn], stapte ik met hoge verwachtingen de literaire wereld binnen. Ik dacht er vrijdenkers te ontmoeten, maar dat viel tegen. Heel wat schrijvers, boekhandelaren en literaire recensenten hebben een vastgeroeste opvatting. Ze stralen te veel uit dat zij weten wat goed en niet goed is om te lezen, en hoe we literatuur moeten interpreteren en consumeren.’
Akyol vervolgt: ‘Zo zijn televisieschrijvers al bij voorbaat verdacht. Denk aan Godfried Bomans en Simon Carmiggelt: hun werk werd opeens anders gewaardeerd toen ze regelmatig op de televisie verschenen. En er is niet veel veranderd. Ikzelf werd van meet af aan gezien als een getapte jongen die alleen maar zoveel boeken verkocht omdat hij het goed deed op televisie. Maar waarom zou je daar dedain voor hebben?
De wereld is veranderd: televisie en sociale media zijn bij uitstek geschikt om het lezen te propageren. Laten we blij zijn als mensen überhaupt een boek pakken. Voor het verbeteren van de taalvaardigheid en het leesplezier maakt het niet uit of je Connie Palmen leest, of Saksia Noort, of Lucinda Riley. Laten we ervoor zorgen dat alle lezers zich welkom voelen in de boekenwereld. Dan zal de stap naar wat als literatuur wordt bestempeld makkelijker worden gezet.’

Prikkel jongeren: schrijf voorbij je navel

Wat mede zou helpen, denkt Akyol, is als meer jonge schrijvers erin zouden slagen  een groot publiek te bereiken: ‘Maar die grachtengordelmillennials krijgen dat niet voor elkaar. Ze zitten, letterlijk, bij elkaar op schoot. Ze richten zich vooral op gelijkgestemden en hebben onvoldoende voeling met wat de mensen in de samenleving werkelijk bezighoudt. Denk je nou echt dat vijftien-, zestienjarigen uit Meppel, of noem maar een stad, zitten te wachten op al die navelstaarderige romans? De klimaatcrisis, de polarisering tussen links en rechts, de vermeende cultuuroorlog, de identiteitscrisis van jongeren met bijvoorbeeld mijn achtergrond: dat zijn de onderwerpen die ertoe doen, dáár maken de meeste jongeren zich druk over. Waarom denk je dat iemand als Rutger Bregman zo succesvol is? Omdat hij voorbij zijn navel schrijft en de wezenlijke problemen van onze tijd aankaart. Je hoeft het niet met hem eens te zijn, maar hij lokt wel discussie uit en zet aan tot nadenken. Dan doe je het goed.’ Akyol bezoekt minimaal eens per week een middelbare school en weet aardig wat er onder jongeren speelt. Het literatuur- en leesonderwijs zou daar beter op moeten inspelen, vindt hij. ‘Ik wil niet generaliseren, maar over het algemeen merk ik dat veel leraren nog steeds braaf de leeslijst dicteren, de klassieke canon. En de opdrachten die daarbij worden gegeven zijn al minimaal een halve eeuw onveranderd: wat betekent de titel, wat is het motto, noem de protagonist en antagonist, enzovoorts. Het is zo gedateerd. Maar de jongens en meisjes van nu zijn veranderd. Ze zijn gevoelig voor andere prikkels, hebben andere wensen. Maak het lezen dynamischer, maak er interactieve lessen van. Vraag wat ze voelen en denken, of ze iets geleerd hebben van wat ze gelezen hebben. Hetzelfde boek roept bij iedereen een andere wereld op, die veel zegt over wie je bent, wat je vindt. Als je daarover nadenkt, begrijp je pas hoe magisch lezen eigenlijk is.’
Zelf ervoer Akyol die magie pas vrij laat. ‘Ik ben gesegregeerd opgegroeid, in een weinig talige omgeving met analfabete ouders. Pas op mijn negentiende ontdekte ik wat literatuur vermag, door Ik lach om niet te huilen van Lex Kroon, een Rotterdamse schrijver die met veel galgenhumor over de zelfkant van de maatschappij en zijn niet zo’n geslaagde leven schreef. Hij was een rebel – en een voorbeeld. Ik begreep ineens wie ikzelf was. Als dat literatuur is, dacht ik toen, dan kan ik mijn wilde leven en wat daarin verkeerd is gegaan, misschien ook wel in een roman omzetten. Ik werd daarin
gesterkt toen ik Jan Cremer las, die er ook een potje van had gemaakt, met iedereen ruziemaakte en niet bang was te choqueren. Al hoef je niet, zoals een Cremer of Charles Bukowski, per se te zuipen en neuken om een artistieke rebel te zijn. Iemand als Karl Ove Knausgård, van de boekenreeks Mijn strijd, bewonder ik evengoed: zoals hij zich totaal overgeeft aan een mateloze schrijfdrang getuigt van grote eigenzinnigheid.’ Akyol heeft ook zijn favoriete opstandige boekpersonages: ‘Het slapstickachtige romanpersonage J. Kessels van P.F. Thomése bijvoorbeeld, die gewoon zijn eigen nihilistische gang gaat. En sterke vrouwen zoals Gustave Flauberts Madame Bovary en Effie Briest, uit de gelijknamige Duitse roman van Theodor Fontane, die door buitenechtelijke liefdesaffaires proberen te ontsnappen aan het burgerlijke milieu waarin ze gevangenzitten, die afrekenen met hun eigen tijd. In de literatuur van nu mis ik van die
spraakmakende personages. Terwijl ze zo belangrijk zijn, juist voor jongeren. Het biedt steun als je iemand met wie je ogenschijnlijk niets gemeen hebt, herkent in zijn worsteling zich aan zijn milieu te onttrekken. Ik ben schatplichtig aan de literatuur en schrijvers die mij daarbij hebben geholpen: ik voel me een zendeling om mensen aan het lezen te krijgen.’

Tijdens de Boekenweek (7 t/m 15 maart) gaat Özcan Akyol in de vijfdelige serie Dwarse Denkers (npo2) in gesprek met bekende namen uit de culturele wereld over rebellen en dwarsdenkers; het Boekenweekessay Generaal zonder leger (€ 3,75) is verkrijgbaar bij de boekhandel.