10 februari 2021

Wie zijn er laaggeletterd?

Laaggeletterdheid komt vooral voor onder oudere mensen, mensen met een lager opleidingsniveau, migranten van de eerste generatie, mensen zonder startkwalificatie (mbo-2) en mensen die langdurig geen werk hebben. Tegelijkertijd bestaat, in absolute aantallen gezien, de grootste groep uit mensen met een middelbaar opleidingsniveau, een baan en zonder migratieachtergrond. Zij vormen een kwart van alle laaggeletterden in Nederland. Er is geen sprake van een digitale kloof: 90% van de laaggeletterden heeft thuis een computer met internetaansluiting (Buisman & Houtkoop, 2014; Buisman et al., 2013; Fouarge, Houtkoop & Van der Velden, 2011).

Volwassen Nederlanders uit lager opgeleide gezinnen hebben een grotere kans om laaggeletterd te zijn. Toch speelt het opleidingsniveau van de ouders in vergelijking met andere landen in het PIAAC-onderzoek een beperkte rol. Nederland kent naast relatief weinig laaggeletterden, ook relatief veel excellente lezers met lager opgeleide ouders. Dat de geletterdheid in geringe mate wordt bepaald door het sociale milieu, duidt op een ‘egalitaire’ samenleving (Buisman et al., 2013).

Gedurende het leven

Mensen maken tot hun dertigste levensjaar een groei door in leesvaardigheid. Hierna begint er een daling op te treden, die doorgaat tot het zestigste levensjaar. Zowel laaggeletterden als gemiddelde en excellente lezers zien de leesvaardigheid teruglopen. Een verklaring is dat mensen, naarmate ze ouder worden, minder vaak onderwijs volgen. Als ze dat wel doen, veel lezen tijdens het werk en/of een vaste baan hebben, dan blijken ze hun leesvaardigheid sterker op peil te houden. Hier geldt dus het principe van ‘use it or lose it’ (Willms & Murray, 2007; Buisman et al., 2013).

Doelgroep(en)