10 februari 2021

De leesopvoeding wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door vrouwen en, binnen het gezin, door moeders. Veel wetenschappelijk onderzoek heeft betrekking op de voordelen van een voorlezende moeder voor de taalontwikkeling van kinderen. Er bestaat evenwel voorzichtig bewijs dat vaders een eigen duit in het zakje doen: dus als aanvulling op moeders.

Vaders die actief het lezen stimuleren zorgen voor directe winst. Er bestaat een positief verband tussen de voorleesfrequentie van de vader en de taalvaardigheid, boekkennis en het verhaalbegrip van hun kinderen (Duursma, 2014; Duursma, 2011). Daarnaast kunnen vaders het goede voorbeeld geven. 7- tot 15-jarigen die hun vader regelmatig met een boek zien, lezen zelf ook vaker boeken. Juist omdat vaders over het algemeen minder fervente lezers zijn, maakt het mogelijk meer indruk als ze dit wel doen (Huysmans, 2013).

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat vaders zorgen voor een grotere kwaliteit van het taalaanbod binnen het gezin. Ze stellen tijdens het voorlezen over het algemeen meer vragen dan moeders, en doen meer verhelderende en bevestigende uitspraken (Anderson, Anderson, Lynch & Shapiro, 2010). Ook hanteren ze in de interactie met hun kind complexere taal, die uitdaagt en ‘meer van de wereld’ is (Pancsofar & Vernon-Feagans, 2010). Ze verzinnen bovendien vaker zelf nieuwe verhaallijnen en lezen daarmee creatiever voor (Stichting Lezen, 2015). Tot slot verwijzen ze tijdens het voorlezen vaker naar zaken buiten de tekst, waarmee ze de verhaalverwerking stimuleren (Korat, Ron & Klein, 2008).

Deze bevindingen zijn niet eenduidig. Andere studies wijzen uit dat moeders stimulerender voorlezen. Moeders gebruiken vaker stemmetjes tijdens het voorlezen (Duursma, 2011). Ook hanteren ze minder ‘letterlijke’ en meer ‘interpretatieve’ voorleesstrategieën. Terwijl vaders meer vragen stellen die de feitenkennis toetsen, gaan moeders vaker in op de betekenis van het verhaal. Daarmee dagen zij hun kinderen uit, wat goed is voor de taal- en cognitieve ontwikkeling (Schwartz, 2004).

Uit weer ander onderzoek blijkt dat vaders en moeders hun eigen stijl van voorlezen en leesopvoeden hebben, en dat daarbij tot op zekere hoogte sprake is van een genderstereotype rol. Zo kan in het ene gezin de vader vaker verhaallijnen verzinnen en de moeder vaker stemmetjes gebruiken, terwijl dat in het andere gezin andersom is. In weer een ander gezin ondernemen beide ouders de betreffende activiteiten in sterke mate – of juist helemaal niet. (Van Steensel & Lucassen, 2016).

Jongens en meisjes blijken anders te worden voorgelezen. Terwijl moeders meer letterlijke strategieën gebruiken bij hun zoons, zetten vaders juist meer interpretatieve strategieën in bij hun dochters (Schwartz, 2004). Ook geven vaders vooral feedback aan hun dochter, evenals hulp bij het leggen van verbanden tussen de tekst en eigen ervaringen. Jongens lijken over het algemeen dus minder te worden gestimuleerd. Mogelijk komt dat doordat ouders, met name vaders, niet hetzelfde belang hechten aan het voorlezen aan zoons en dochters (Vandermaas-Peeler, Sassine, Price & Brilhart, 2011).

Tegelijkertijd dienen vaders juist voor hun zoons een specifiek belang. Met name jongens hebben namelijk baat bij een vader die optreedt als positief leesvoorbeeld. Terwijl een moeder die zich regelmatig met een boek laat zien vooral het leesgedrag van een dochter stimuleert, weet een lezende vader bij uitstek zijn zoon tot lezen te bewegen (Mullan, 2010).

Een leesaanbod op maat

Jongens vinden het moeilijker dan meisjes om zich in te zetten voor ‘ongewenste’ leesactiviteiten. Het onderwerp van de tekst beïnvloedt in sterkere mate hun begrip (Oakhill & Petrides, 2007). Ook brengen ze minder doorzettingsvermogen op voor teksten over onderwerpen die hen niet erg boeien (Ainley, Hillman & Hidi, 2002).

Motiverend leesmateriaal lijkt voor jongens daarom nog sterker van belang dan voor meisjes. In dat verband wordt vaak geopperd dat jongens gebaat zijn bij een breder aanbod van zogeheten ‘jongensboeken’: spannende, avontuurlijke verhalen met veel actie en weinig nadruk op karakterontwikkeling. Voor dat idee bestaat voorzichtig bewijs. 7- en 8-jarige jongens die worden voorgelezen uit typische ‘jongensboeken’, raken gemotiveerder voor lezen dan leeftijdsgenootjes die worden voorgelezen uit het ‘reguliere’ aanbod (Sokal, Katz, Adkins, Gladu, Jackson-Davis & Kussin, 2005).