Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login

Verslag Expertmeeting Voorlezen in de kinderopvang

Datum: 
3 april 2017
Auteur: 
Bea Ros

BoekStart stimuleert goed voorleesklimaat, maar het kan nog beter

Kinderopvanglocaties met BoekStart zijn actiever bezig met voorlezen en leesbevordering dan locaties zonder deze aanpak. Naast deze positieve conclusie biedt het onderzoek naar de effecten van BoekStart op het voorleesklimaat ook kritische lessen, bleek tijdens de expertmeeting op vrijdag 3 februari 2017.

Sinds 2009 kent Nederland een leesbevorderingsprogramma voor de allerjongsten, BoekStart. Om nog meer (ouders van) baby’s en peuters te bereiken kwam er in 2011 de uitbreiding BoekStart in de kinderopvang. De bibliotheek helpt kindercentra met het creëren van een stimulerend leesklimaat, onder meer door pedagogisch medewerkers op te leiden tot voorleescoördinator. Uit onderzoek van de Universiteit Leiden (2015) bleek al dat BoekStart baby’s slimmer maakt. Tijdens de expertmeeting presenteerden onderzoekers de bevindingen uit onderzoek naar de effecten van BoekStart op het voorleesklimaat in de kinderopvang.

Praktijk versus beleid

Suzanne Plantinga (Kantar Public) heeft in opdracht van Stichting Lezen kinderopvangcentra en peuterspeelzalen met en zonder BoekStart (BS) vergeleken. Ze bevroeg managers (239) en pedagogisch medewerkers (314) en liet bovendien 8 medewerkers via een app een week lang vragen over de alledaagse praktijk beantwoorden. Zo kreeg ze een goed beeld van het voorleesklimaat. En dat beeld is over de hele linie positief: iedereen vindt voorlezen belangrijk (vooral vanwege taalstimulering), de meerderheid heeft een boekenhoek en actief voorlezen komt veel voor. Op acht van de tien locaties wordt één keer of vaker per dag voorgelezen. De BS-locaties scoren daarbij op alle punten beter: zo hebben ze vaker een apart boekenbudget (24% versus 7%), vaker geschoolde medewerkers (57% versus 21%), lezen ze vaker (uitgebreider) voor en is er meer aandacht voor taalzwakke kinderen.
Hoewel het met de voorleespraktijk in de kinderopvangcentra over het algemeen goed gesteld is, valt er op het gebied van het beleid nog winst te behalen. Plantinga concludeert dat op dit moment het voorleesklimaat voornamelijk gekoppeld is aan wat er op de groepen gebeurt. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk als je kijkt naar wat managers wezenlijk achten voor een goed voorleesklimaat. Ze blijken dit te verbinden met wat er op de werkvloer gebeurt en minder met beleid. Zo associëren ze deelname aan een leesbevorderingsnetwerk, ouderbetrokkenheid en het coördineren en budgetteren van leesbevordering niet met een goed voorleesklimaat, terwijl dit juist belangrijke randvoorwaarden zijn.
Op BS-locaties wordt de relevantie van het verankeren van voorlezen in het beleid sterker onderkent dan op de andere locaties. BS-locaties onderschrijven vaker het belang van bovengenoemde randvoorwaarden voor een positief voorleesklimaat. Toch is er ook voor BS-instelling nog winst te behalen. Zo hebben BS-locaties weliswaar geregeld een voorleescoördinator, maar 31% heeft er nog geen, terwijl dat wel een voorwaarde is voor deelname aan het BoekStart-programma. Ook hebben niet alle BS-locaties een apart voorleesplan. Op BS-instellingen worden goede stappen gezet om een goede voorleespraktijk te verankeren in beleid, maar borging vraagt, zo blijkt, een lange adem.

Baby’s voorlezen

Plantinga hoorde van veel pedagogisch medewerkers dat de aandacht van kinderen tijdens het voorlezen nogal eens verslapt. De presentatie van Merel de Bondt (Vrije Universiteit) bood goede aanknopingspunten om dat te verhelpen. Ze maakte duidelijk dat voorlezen aan baby’s andere eisen stelt dan ‘gewoon’ voorlezen aan peuters en kleuters. Waar in het laatste geval het verhaal centraal staat, is bij de allerjongsten het boek vooral aanleiding voor bezig zijn met taal. ‘Voorlezen is een intensieve talige interactie’, zoals De Bondt zei.
Uit onderzoek waarbij de taalinput van jonge kinderen van 9-18 maanden een dag is geregistreerd (de baby draagt een recorder in zijn rompertje) blijkt dat samen een boekje lezen qua talige interactie met stip op 1 staat, ruim boven verzorging, samen eten en zelf spelen. ‘Maak die laatste drie activiteiten taliger en stimuleer het voorlezen’, adviseerde De Bondt.
Bij dat voorlezen is zoals gezegd het verhaal ondergeschikt. Samen plezier hebben staat voorop, waarbij de ouder (of pedagogisch medewerker) zoveel mogelijk de interesse van het kind volgt en reageert op wat het kind zegt of aanwijst. Op deze manier voorlezen is vooral effectief als het een-op-een gebeurt. Dit is nog geen gemeengoed: 43% van pedagogisch medewerkers met baby’s in de groep doet dit dagelijks. Misschien een kwestie van tijdgebrek, opperde iemand. Onzin, reageerde een ander: het voorlezen aan baby’s kost vijf minuten.

In perspectief

Onder de noemer ‘BoekStart: power en perspectief’ trok Kees Broekhof (Sardes) de lijntjes samen. Hij noemde Plantinga’s onderzoek bemoedigend, omdat het getuigt van de power op de werkvloer: BS-locaties scoren consequent op alle facetten beter. En dat zijn stuk voor stuk facetten die ertoe doen om kinderen taalvaardiger te maken. 
Broekhof onderstreepte net als De Bondt het belang van voorlezen voor de taalontwikkeling van jonge kinderen. ‘De taalinput in de eerste drie levensjaren is sterk bepalend voor de omvang van de woordenschat en het fonemisch bewustzijn, beide belangrijke voorwaarden voor het leren lezen in groep 3.’ Hij verwees naar het onderzoek van Risley en Hart over de 30 Million Word Gap: kinderen van praatgrage ouders horen 2153 woorden per uur tegenover 615 voor kinderen van zwijgzame ouders. ‘Een boek is een handig aanknopingspunt om wél te gaan praten met je kind.’
Ook met het stimuleren van ouderbetrokkenheid en aandacht voor taalzwakke kinderen (‘de VVE-doelgroep’) lever je een wezenlijke bijdrage aan de taalontwikkeling van kinderen.
Maar Broekhof wees net als Plantinga ook op de keerzijde van de cijfers: de BS-locaties mogen over de hele linie beter presteren, toch heeft ook hier 31% nog geen voorleescoördinator - ‘terwijl bekend is dat de aanwezigheid van een voorleescoördinator een duidelijk positief verband heeft met de voorleesactiviteiten van de medewerkers’. Verder is bij 51% leesbevordering geen structureel onderdeel van beleid en neemt 64% niet deel aan een lokaal netwerk. Misschien, dacht hij hardop, moet er wel een BoekStart-keurmerk komen. Goed idee, vonden diverse aanwezigen. ‘Mag je je met zes baby’s plus een boek op de bank wel BoekStart-locatie noemen?’ En wat nou 67% legt altijd of vaak moeilijke woorden uit? ‘Dat moet 100% zijn!’
Broekhof vindt ook dat kindercentra nog te weinig gebruikmaken van digitale prentenboeken. ‘Het is een kans die jaar in, jaar uit wordt gemist! Met digitale prentenboeken leert een kleuter zes nieuwe woorden in een half uur en wordt zijn verhaalbegrip verstevigd.’ Veel kindercentra redeneren: de kinderen zien thuis ook al zoveel beeldschermen. Met dat argument maakte Broekhof korte metten: ‘Thuis kijken ze onzin, op de kinderopvang is het educatief.’
Zijn belangrijkste aanbeveling: ‘Blijf vooral vaak het belang van voorlezen herhalen, dat helpt mensen in hun denken en in hun gesprekken met managers en beleidsmakers.’ En hij drukte bibliotheken op het hart zowel oog te hebben voor voorleesbeleid en -praktijk op BS-locaties.

Bewustwording

‘Dus BS-locaties mogen de lat hoger leggen?’ vatte dagvoorzitter Thomas van Dalen samen. Het was een conclusie die de zaal deelde. Hoe pak je dat aan? ‘Investeer nog meer in deskundigheidsbevordering en bewustwording’, stelde iemand voor. ‘Houd het klein en doe het vooral voor, bijvoorbeeld met filmpjes.’ Een bibliotheekmedewerker van de OBA had  pedagogisch medewerkers gefilmd tijdens het voorlezen: ‘Dat zorgt inderdaad voor bewustwording.’
‘We moeten ons product beter verkopen’, vond een medewerker van Biblionet Groningen. ‘De truc is om ambtenaren te laten zien wat het oplevert. Dat kost veel tijd, dat heb je niet in een jaar voor elkaar. Dus houd vol!’
BoekStart-projectleider Julienne van den Heuvel noemde het rapport een ‘schouderklopje’, maar zag meteen ook het werk dat nog te doen staat. ‘Het staat of valt met contacten en netwerken. We hebben veel kansen gemist omdat organisaties niet van elkaar weten wat ze doen. Denk niet: ze weten het toch al, want dat is dus niet zo.’ Ook haar collega Marijke Bos benadrukte dat inspanningen van bibliotheken nodig zijn: ‘Neem initiatief en blijf de kinderopvang voeden, trek je niet terug, maar onderhoud de contacten.’
Is het tempo van schaalvergroting wellicht te hoog? vroeg Van Dalen. Programmacoördinator Kunst van Lezen Adriaan Langendonk wijst op de hoofddoelstelling van Tel mee met Taal: het bereiken van een miljoen kinderen van 0-12 jaar eind 2018. ‘Dat legt druk op Stichting Lezen en de bibliotheeksector om de komende jaren fors verder uit te breiden. Maar beperkte budgetten en gewenste hoge kwaliteit kunnen op gespannen voet staan met een te snel doorgevoerde schaalvergroting. Kunst is een goede balans te vinden tussen lokaal gestaag uitbreiden en borging van een goede kwalitatieve aanpak vanuit kinderopvang en Bibliotheek.’ Overigens toonde hij zich blij met de onderzoeksresultaten: ‘Het zou erg zijn geweest als het niet uitmaakte of je wel of niet met BoekStart werkt.’ Hij noemt eigenaarschap als belangrijk speerpunt. ‘Dat ligt nu nog te veel bij de bibliotheken, maar moet bij de gemeenten en de opvanglocaties liggen. Ik ben verbaasd dat een flink aantal BoekStart-locaties geen voorleescoördinator heeft.’ We zouden moeten nagaan waar dat aan ligt. Zijn opgeleide mensen net vertrokken? Is de opleiding later gepland vanwege vakanties? Zijn locaties net gestart en is er nog geen tijd geweest om de training te volgen? Dat zijn factoren die veel kunnen uitmaken. Als een bepaalde vorm van certificering helpt bij het aanstellen van voorleescoördinatoren en borging van de aanpak zouden we dat moeten bekijken. Maar we moeten voorzichtig zijn met het teveel opleggen van een keurmerk, wellicht haken locaties dan af en ook handhaving is lastig. Broekhof vult aan: ‘Als je een kwaliteitssysteem ontwerpt dat locaties zich kunnen onderscheiden als BoekStart-locatie, bereik je eigenaarschap.’
Zover is het nog niet. Vooralsnog zetten Stichting Lezen en de KB in op het realiseren van randvoorwaarden in het veld en op het uitdragen van goede voorbeelden. ‘We moeten positief naar buiten komen’, aldus Langendonk. De bewijzen uit het onderzoeksrapport helpen daarbij. Het geeft ook bibliotheekmedewerkers munitie om kinderopvanglocaties te bewegen deel te nemen aan de Monitor BoekStart in de kinderopvang die vanaf het voorjaar 2017 openstaat voor alle deelnemende locaties. Die door voorleescoördinatoren en pedagogisch medewerkers laten invullen en resultaten verbinden aan een voorleesplan, geeft de aanpak meteen al een kwalitatieve verdieping die onderscheidend kan werken.’