Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login
Datum: 
13 juni 2014
Auteur: 
Bea Ros

Op 14 mei 2014 vond de expertmeeting Lezen in het vmbo plaats. Nadat tijdens de vorige bijeenkomst (februari 2013) de noodzaak van leesbevordering in het vmbo was benadrukt, bood de editie 2014 munitie hoe leraren, (school)bibliotheek-medewerkers, opleiders en onderzoekers samen kunnen werken aan goed leesonderwijs. 

Afsluitende presentatie van Lydia Rood

‘Je kunt je inleven in andere mensen.’ ‘Dan leer ik meer Nederlandse woorden.’ En: ‘Als ik iets te druk ben, ga ik lezen.’ Jongeren, zo blijkt uit het filmpje dat de deelnemers aan het begin van de middag te zien kregen, weten precies waarom lezen belangrijk is. Hebben we dus niets meer te doen? De vraag waarmee Gerlien van Dalen (directeur Stichting Lezen) de middag opent, is retorisch. ‘We moeten oppassen dat “lezen is belangrijk” geen loze slogan wordt, maar dat er echt iets gebeurt met lezen in het vmbo.’ Precies daarom organiseren Stichting Lezen en het Instituut voor Taalonderzoek en Taalonderwijs (ITTA) expertmeetings. Om ervoor te zorgen dat leesbevordering niet, zoals nu nog vaak het geval is, afhankelijk blijft van die ene enthousiaste leraar, maar structureel onderdeel van het taal- en leesbeleid op vmbo-scholen wordt.

Politieke agenda

‘Vmbo-leerlingen krijgen betere kansen, als alle docenten het belang van taal en lezen inzien. Zij dienen hierbij ondersteuning te krijgen van hun eigen directies, schoolbesturen en ouders, maar ook van educatieve uitgeverijen, beleidsmakers en de overheid.’ Dit statement valt te lezen in de notitie Leesbevordering en leesvaardigheid in het vmbo: noodzaak en kansen (2014) van Stichting Lezen en ITTA.
Van de steun van één beleidsmaker wisten de deelnemers zich alvast verzekerd. PvdA-Kamerlid Tanja Jadnanansing kon niet live aanwezig zijn, maar hield vanaf het scherm een vurig pleidooi voor meer leestijd in het vmbo. ‘We mogen jongeren de wereld van lezen, of het nu om boeken of internet gaat, niet onthouden.’
De politica geeft elke vrijdag les op een vmbo-school en hoort dan leerlingen zeggen dat ze op school niet genoeg tijd krijgen voor lezen. ‘Terwijl ze het heel belangrijk vinden voor hun creativiteit en hun woordenschat.’ Ook docenten lijken het belangrijk te vinden. Vraag is dus waarom het te weinig gebeurt. ‘Staat leesbevordering wel voldoende op de politieke agenda?’ Jadnanansing nodigde alle aanwezigen uit om haar vooral te laten weten wat we nodig hebben om goed leesonderwijs in het vmbo mogelijk te maken. ‘Ik kan niet beloven alles uit te voeren, maar laat mij uw ambassadeur zijn. Als jongeren zeggen ‘mogen we er meer van’, dan moeten wij ervoor gaan.’

Begrijpelijke studieteksten

Om vmbo-leerlingen leesvaardiger te maken is het belangrijk om hen leesmateriaal op maat te geven. Over die maat bestaan echter de nodige misvattingen, bleek uit de presentatie van Gerdineke Silfhout. Voor haar promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht keek ze naar kenmerken van teksten uit lesmethodes voor het vmbo. Hoe lager het schoolniveau, hoe korter de zinnen, hoe minder bijzinnen en hoe minder verbindingswoorden als ‘omdat’ en ‘bovendien’. Daardoor heten deze teksten overzichtelijker en makkelijker te zijn, maar is dat wel zo? En werkt het wel om de stof, zoals uitgevers steeds vaker doen, in een verhaaltje te verpakken?
Silfhout schotelde vmbo-leerlingen verschillende soorten teksten voor en testte zowel hun tekstbegrip als waardering voor deze teksten. Bovendien bracht ze met oogbewegingsonderzoek in beeld hoe leerlingen precies lezen, bij welke woorden ze bijvoorbeeld blijven haken en of ze wel eens teruglezen. Zo ontdekte ze dat een derde van de leerlingen de titel overslaat – en daarmee dus al een belangrijke aanwijzing over de inhoud van de tekst missen. Vaardige lezers slaan lidwoorden over, zwakke lezers lezen alles of slaan juist tekstdelen over. ‘Ze lezen dus letterlijk slecht’, aldus Silfhout.

Averechts

Uit Silfhouts onderzoek blijkt dat veel aanpassingen in studieteksten voor vmbo-leerlingen hun tekstbegrip eerder belemmeren dan bevorderen. Daarom heeft ze een lijstje aanbevelingen geformuleerd voor methodemakers. Maak relaties tussen zinnen expliciet, luidt de eerste. ‘En ja, dat levert langere zinnen op, maar wel zinnen die leerlingen beter begrijpen.’ Uit het oogbewegingsonderzoek blijkt dat verbindingswoorden leerlingen aanzetten tot teruglezen in de tekst en daardoor een betere integratie van zinnen. Zorg voor een doorlopende lay-out, want elke zin op een nieuwe regel beginnen heeft geen enkel positief effect op tekstbegrip, maar vertraagt slechts het leesproces. Bij zinnen met verbindingswoorden werkt het bovendien verwarrend: is er nou wel of geen verband?! Ook verhalende elementen werken averechts. ‘De leerlingen onthouden wel de leuke details, niet de stof waar het om gaat’, vertelde Silfhout. Bovendien waarderen ze een droge tekst niet minder dan een verhalende tekst. Ze vinden de eerste zelfs makkelijker en hun tekstbegrip is hier groter.
Al haar conclusies gelden van vmbo tot en met vwo en ongeacht leesgenre en schoolvaardigheid. ‘Differentieer studieteksten dus niet zomaar op basis van schoolniveau’, aldus Silfhouts advies aan educatief uitgevers, toetsontwikkelaars en leraren.

Leesgedrag

Naast begrijpelijke studieteksten is een breed en aantrekkelijk aanbod voor vrijetijdslezen belangrijk om vmbo-leerlingen aan het lezen te krijgen. ‘Zonder extra leeservaringen gaat deze groep alleen maar achteruit’, stelde Kees Broekhof (Sardes) in zijn presentatie. Broekhof voert in opdracht van Kunst van Lezen de Monitor Bibliotheek op School uit, waarbij leesgedrag van leerlingen en leesbevorderend gedrag van leraren in kaart wordt gebracht. In de PO-Monitor zitten inmiddels 70.000 leerlingen, 7000 leerkrachten en 700 leesconsulenten - ‘Maurice de Hond zou jaloers zijn op deze aantallen’ – die van de in 2013 gestarte pilot voor het vmbo omvat 956 leerlingen (overwegend klas 1 en 2, vmbo-b en k), 66 docenten en 8 bibliothecarissen van zeven scholen.
Veel vmbo-leerlingen (40%) blijken lezen niet zo leuk te vinden, ruim 20% vindt het zelfs vervelend. Is op de basisschool de verhouding tussen leerlingen die lezen wel en niet leuk vinden 80-20, op het vmbo is dat omgeklapt naar 40-60. Een vergelijkbare ontwikkeling geldt voor leesfrequentie. Helemaal vreemd is dat niet, omdat fervente lezers vaker naar havo en vwo gaan dan naar het vmbo.
Vmbo-leerlingen lezen bij voorkeur strips en tijdschriften. Romans, bij basisschoolleerlingen nog favoriet, zijn een stuk minder populair. Hun top 5 van populaire onderwerpen is humor, spanning, horror, vriendschap en verfilmde boeken, het minst geliefd zijn klassieke werken, verhalenbundels, maatschappelijke problemen, reisboeken en biografie.

Leesbeleid

De cijfers uit de Monitor (landelijke gemiddelden en per school) geven bibliotheken handvatten om met scholen in gesprek te gaan over het leesbeleid op school. Waarom heeft onze school bijvoorbeeld een veel hoger percentage leerlingen die lezen niet leuk vinden? Of waar komt die dip in leengedrag in groep 8 vandaan? ‘Overigens vinden scholen en bibliotheken het nog wel moeilijk om conclusies uit de cijfers te trekken’, weet Broekhof. Hoe hoger het leerjaar, hoe minder vaak een leerkracht boeken introduceert in de klas. In de kleuterklas doet 50% dat een paar keer per week, in groep 8 is dit nog maar 8%. Toen Broekhof liet zien dat ruim de helft van de vmbo-docenten nooit en een derde bijna nooit boekintroducties doet, ging er een schok van ongeloof door de zaal. ‘Hoe ouder kinderen worden, hoe meer leerkrachten en ook ouders afhaken. Niet gek dat kinderen dan ook afhaken. We hopen dat dit soort gegevens helpen om meer voor elkaar te krijgen, bijvoorbeeld een betere schoolmediatheek.’
Juist die schoolmediatheek is op veel vmbo-scholen wegbezuinigd. Iemand uit de zaal kopte de bal in: ‘Dat lijkt me een goede vraag aan de politiek: zorg dat de schoolmediatheek weer terug komt.’ En dan eentje die leesbevordering hoog in het vaandel heeft. Dat blijkt nu vaak nog niet het geval te zijn. Ook de samenwerking tussen schoolmediathecaris en vakdocent, volgens Amerikaans onderzoek bevorderlijk voor lees- en leerresultaten, is nu nog beperkt. Broekhof pleitte dan ook voor een taalbeleid gericht op leesvaardigheid en op vrij lezen, te verwezenlijken door alle vakdocenten (niet alleen de docent Nederlands) en de schoolmediathecaris.

Vrij lezen

Caroline Coppes (taalcoördinator en docent Nederlands) en schoolmediathecaris Joke Boonstra van het Augustinus College in Groningen lieten zien dat er ook gunstige uitzonderingen zijn. Vrij lezen staat hier al jaren op het rooster en daarnaast lezen leerlingen tijdens opvanguren (bij ziekte van een leraar) en als ze eerder klaar zijn met opdrachten of proefwerken. ‘Elke dag een leesboek in de tas’ is het motto.
En om de aanwezigen even te laten ervaren hoe dat vrij lezen gaat, zetten ze iedereen vijf minuten lang aan het lezen. ‘Wie zelf geen boek heeft, kan het halen bij mevrouw Boonstra.’ Het was nog even rumoerig, maar het duurde niet lang of er daalde een weldadige stilte neer: iedereen las. ‘Een lezende klas is een rustige klas’, vertelde Coppes en dat is meteen een handig argument om collega’s mee te krijgen.
Want voor een gunstig leesklimaat op school heb je leesenthousiaste collega’s nodig. Plus een mediatheek en tijd. Dat betekent investeren, maar je kunt directie en collega’s ook wijzen op de effecten: ‘Onze scores voor Diataal (een leerlingvolgsysteem voor taal en rekenen, red.) gaan omhoog.’
Coppes weet zich gesecondeerd door een enthousiaste schoolmediathecaris die zorgt voor een gevarieerd boekenaanbod en het juiste boek bij de juiste leerling zoekt. ‘We informeren elkaar, vertellen elkaar succesverhalen, stemmen af - promote jij dat boek in de klas, dan zorg ik voor stapeltje exemplaren in de mediatheek’, vertelde Boonstra. Sinds de invoer van het vrije lezen zijn uitleencijfers gestegen. Dit schooljaar staat de teller al op 4700. Dat is geen kwestie van geld - Boonstra heeft al vijftien jaar hetzelfde budget, 2500 euro – wel van inzet en professionaliteit. Ze vulde de vraag aan de politiek dan ook aan: ‘Zorg voor een goede mediatheek op elke school met een gekwalificeerd personeel.’

Matroesjka-model

Na de plenaire presentaties bogen de deelnemers zich in vier groepen over wat er op diverse niveaus nodig is voor structurele leesbevordering in het vmbo. Als eerste natuurlijk enthousiaste docenten die zelf (zichtbaar voor hun leerlingen) lezen en hun leesplezier willen overdragen. Dat enthousiasme moeten ze verwerven tijdens hun eigen opleiding. Het ‘matroesjka-model’ noemde lerarenopleider Marijke Potters (Hogeschool Amsterdam) dit: lerarenopleiders stimuleren studenten tot (veel) lezen, laten hen kennismaken met het rijke aanbod aan jeugdliteratuur en leren hen bovendien hoe ze later zelf op hun beurt leerlingen warm kunnen maken voor boeken en lezen. Potters signaleerde wel een probleem: ‘Studenten raken inderdaad enthousiast, maar tijdens hun stage strandt dit enthousiasme op de beperkte mogelijkheden voor leesbevordering op hun school. Er is lef nodig om gebaande paden los te laten en dat is moeilijk voor leraren in opleiding en starters.’
Dat probleem herkenden andere deelnemers: ‘Er is nog te veel particulier initiatief en te weinig schoolbeleid.’ Schoolbreed commitment is essentieel: er moet een taalbeleidsplan zijn, gedragen door directie en collega’s. Maak taal en lezen tot de verantwoordelijkheid van alle docenten. Laat de successen zien en maak de inzichten uit onderzoek over de positieve effecten van vrij lezen en een goed geoutilleerde schoolmediatheek bekend. Vertel daar ook over aan ouders (bijvoorbeeld tijdens een speciale ouderavond over leesbevordering op school en thuis) en wissel samen met ouders, op basis van gelijkwaardigheid, praktische tips uit. De inspectie in haar laatste Onderwijsverslag expliciet aandacht gevraagd voor leesmotivatie en leesplezier, zij het dat ze ook spreekt van ‘een moeilijk toetsdomein’. Stichting Lezen is al in gesprek met de inspectie en werkt aan een lijst met aandachtspunten voor inspecteurs (bijvoorbeeld: is er een taalbeleidsplan of is er een mediatheek?).
En ten slotte mogen ook de leerlingen zelf een duit in het zakje doen. Ze erkennen al het belang van lezen, maak hen verantwoordelijk voor de eigen prestaties.

Minder duwen, meer trekken

Schrijfster Lydia Rood haakte in haar afsluitende presentatie aan bij die eigen verantwoordelijkheid van leerlingen. ‘We duwen iets te veel aan leerlingen: jij moet lezen.’ Dat werkt niet, aldus Rood. Natuurlijk hebben we met zijn allen gelijk dat we hen graag aan het lezen willen krijgen. Maar het beste recept is dan niet duwen, maar trekken. En verleiden. Rood vertelde hoe ze dat zelf aanpakte tijdens schoolbezoeken. ‘Je kunt 12-plussers trekken met boeken vol volwassen kennis, zoals als wapens en seks.’ Als voorbeelden noemde ze de AK 47 (aanvalsgeweer) in De ogen van de condor en een masturbatiescène uit Sammy of Samir. ‘Als ik een klas heel onrustig is, lees ik daaruit voor. Dan schrikken ze zich rot, een gevoel alsof ik bij hen in de slaapkamer sta.’ Tegelijkertijd ontdekken ze dan dat boeken over hen zelf kunnen gaan of over werelden waar ze van dromen.
Rood had ook nog een drastischer trekmiddel achter de hand: lezen verbieden. ‘We maken een lijst van verboden boeken, vol dikke, spannende klassiekers en een saaie lijst van wat ze nog wel mogen lezen. Dan zorgen we dat van de verboden boeken illegale kopieën worden verspreid. Moet je dan eens opletten!’