Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login
Datum: 
17 april 2015

Inspiratie – De afgelopen editie van Lezen Centraal, het jaarlijks congres van Stichting Lezen, kon woensdag 25 maart rekenen op een recordopkomst: ruim driehonderd docenten, bibliothecarissen, jeugdboekenschrijvers en andere leesbevorderaars meldden zich in muziekcentrum Tivoli/Vredenburg in Utrecht voor een dag vol inspirerende lezingen, workshops en ontmoetingen.

Gerlien van Dalen opent het congres. foto: Jorgen Koopmanschap

Mooie zaal

Presentator en journalist Bas Maliepaard betreedt het podium, kijkt om zich heen en verzucht: ‘Wat een mooie zaal!’ Comfortabele, strak vormgegeven stoelen, prettig licht, een blank houten podium, dito vloeren en muren – alles oogt inderdaad even aangenaam in de Hertz-zaal boven in het muziekcentrum, waar het plenaire programma plaatsvindt.
Op een groot achtergrondscherm verschijnt een jeugdfoto van drie braaf kijkende kinderen op een rij: de Maliepaardjes, volgens Bas schoolvoorbeelden van een aanhaker (‘ikzelf’), een afhaker (‘mijn broer’) en een aan- en afhaker (‘mijn zus, die alleen boeken leest als ze die krijgt aangereikt, door bijvoorbeeld mij’). Soepel en met humor leidt Maliepaard het dagprogramma verder in en kondigt hij de sprekers aan: Stichting Lezen-directeur Gerlien van Dalen; filosoof en auteur Coen Simon; Niels Bakker, onderzoeksmedewerker van Stichting Lezen; en emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde Johan van Iseghem. En als toetje een wisseling van de wacht: het afscheid van Jacques Vriens als Kinderboekenambassadeur en de installering van zijn opvolger.

Een vergooid leven

Ter inleiding op haar openingsspeech laat Gerlien van Dalen een indringend filmpje zien. In die paar minuten wordt duidelijk waartoe gebrekkige of géén leesvaardigheid kan leiden: slechte prestaties, minderwaardigheidscomplex, gemiste kansen, verkeerde keuzes, uitsluiting. Kortom: een vergooid leven. Ziedaar het belang van lezen en leesbevordering. ‘De liefde voor lezen is voor lang niet iedereen vanzelfsprekend. Aanhaken vergt investeringen van lezers en leesbevorderaars; in tijd, passie, kennis, en professionele praktijk. Als congresbeeld hebben we niet voor niets voor een klimmuur gekozen. Stap voor stap en goed gezekerd, dan gaat het lukken hoger te komen.’ Ze vat de leesbevorderingspraktijk samen: L(eesomgeving), E(videntie), E(xpertise), S(amenwerking), vestigt de aandacht op de Doorgaande leeslijn en structurele programma’s als BoekStart en de Bibliotheek op school. Voor ze iedereen een mooie, inspirerende dag toewenst, wijst ze nog op het aantal laaggeletterden en de concurrerende werking van nieuwe media en op de gemiddelde leestijd. Het heeft de focus van de leesbevordering verschoven van wát men leest, naar dát men leest – de urgentie is duidelijk.

Het papieren boek

Coen Simon weet in zijn boeken en publieke optredens filosofie op een prettige manier inzichtelijk te maken, zonder door zijn knieën te zakken voor het publiek. In zijn lezing vandaag neemt hij zijn eigen kinderen veelvuldig als voorbeeld en vertelt onder andere hoe ze als dreumesjes de wereld ontdekten: ‘Een kind herkent ver voordat het echte koeien, bomen, papegaaien, bossen, stranden, bergen en olifanten heeft gezien, al deze zaken uit boekjes.’ Simon legt de wisselwerking uit tussen idee en werkelijkheid en voorziet die van een filosofisch kader, verwijzend naar uitspraken van Helmuth Plessner en Hans-Georg Gadamer. ‘Ons contact met de werkelijkheid is altijd een bemiddeld contact. We krijgen de werkelijkheid nooit in een zuivere onmiddellijke vorm in de schoot geworpen, maar staan er via een of andere techniek mee in verbinding. In dit geval de techniek van het schrift.’ En hij houdt een klinkend pleidooi voor het papieren boek: ‘Mijn ouders hebben me de liefde voor toneel bijgebracht, gewoon door vaak met ons naar de schouwburg te gaan. Een mens hecht zich aan wat gewoon is. En als je veel naar het theater gaat dan krijg je een voorliefde voor alles wat hoort bij theater, dat wil zeggen: wat hoort bij het medium theater. Wie veel leest, gaat niet alleen van kaft, papier en letters houden, maar ook van de toon, het metrum, de verhaallijn en de plotwerking die eigen zijn aan het verhalende boek.’ Aan de hand van een essay van Daniëlle Rovers legt Simon uit hoe ‘de kunst van de roman’ lezers in staat stelt ongemerkt in het hoofd van personages te kruipen (via de techniek van de indirecte rede), op een effectievere manier dan films dat bijvoorbeeld doen. En hij haalt een uitspraak van Ronald Giphart aan: ‘Het fascinerende van lezen: het is deels een solipsistische bezigheid, want we creëren een wereld in ons hoofd. Lezers zijn de medeschrijvers van de boeken die ze lezen.’ In deze tijd van emoticons, Facebook- en Twittertaal, vervolgt Simon, moeten we ‘juist deze toename van het schrift gebruiken om de toekomstige generatie beter te oefenen in een kundig gebruik van de taal. Het boek zou een mooie toekomst tegemoet kunnen gaan, maar dan moeten we het analoge lezen en voorlezen wel gewoon blijven doen. En het schrijven moet meer aandacht krijgen.’

Wetenschappelijk onderzoek

Na de koffiepauze is het tijd voor de feiten. Wat Niels Bakker onderzoekt, ligt in zijn brein kennelijk voor het grijpen: helder en zonder spiekbriefjes presenteert en nuanceert hij relevante onderzoeksresultaten en cijfers. De recente teruglopende boekenverkoop wordt gerelativeerd door de historische bloeiperiode vlak daarvóór, structurele ledenkrimp bij bibliotheken blijkt enigszins te worden gecompenseerd door een toenemend aantal jongerenleden, de invloed van digitale media wordt geschetst, net als de gevolgen van ‘het nieuwe lezen’ (chatten, e-mailen, twitteren, op internet surfen), het leesgedrag van jongere generaties, en nog veel meer. Bakker geeft zo een overzicht van de huidige leescultuur en voorziet het debat omtrent ontlezing (of is daar nou juist géén sprake van door de invloed van digitale media?) van de nodige verdieping.  

Marilyn Monroe en de literatuur

Achter de katheder neemt de Leuvense emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde Johan van Iseghem plaats. Fijntjes merkt hij in zijn inleiding op dat deelnemers aan dit congres vast niet meer overtuigd hoeven te worden van het nut en de noodzaak van lezen. Liever wil hij hen ‘een hart onder de riem steken en argumenten op een rijtje te zetten die inspirerend kunnen werken voor gelijkaardige discussies met anderen’. En hij trakteert het publiek op een supercollege ‘Waarom literatuur moet’, samengebald in een uur, vol literaire verwijzingen, tongue-in-cheek-achtige anekdotes en illustratief beeldmateriaal – van Marilyn Monroe die in een speeltuintje geconcentreerd Ulysses leest, tot een foto van een gebeeldhouwde bibliotheek in Melbourne die, symbolisch, wegzinkt in het plaveisel.
Allereerst schetst Van Iseghem het belang van literatuur als solistische bezigheid: het kan dienen als therapeutisch gereedschap; ter morele vorming; ontsnapping aan tijd en ruimte; het helpen omgaan met emoties en gewaarwordingen; oefening in empathie; aanscherping van kritische en analytische vermogens. Vervolgens noemt hij het maatschappelijk belang: literatuur stimuleert zingeving, ontmoeting en saamhorigheid, en creëert een toekomstperspectief.
Ten slotte zoomt Van Iseghem in op de effecten van de specifiek literaire aspecten van literatuur: het spel met ambiguïteit stimuleert genuanceerd denken en daarmee empathie; de betovering van de taal draagt bij aan gevoel voor stijl; creativiteit wordt gestimuleerd door het visualiseren van het geschrevene. En hij sluit af met een belangrijke tip voor de aanwezige onderwijzers: ‘Met onvermoeibare passie het verhaal brengen van je eigen leesavontuur. De grootste stimulans om vroeg of laat aan het lezen te slaan is misschien wel de herinnering aan een gedreven docent, die een leven lang op het netvlies blijft staan.’

Afscheid en introductie

De laatste spreker voor de lunchpauze en de workshops, is Jacques Vriens, de eerste Kinderboekenambassadeur, die nu, na twee jaar, met veel plezier terugkijkt op zijn succesvolle ambtsperiode. De naam van zijn opvolger wordt bekendgemaakt: Jan Paul Schutten mag het stokje overnemen. Aan het eind van de dag zal hij iets vertellen over de manier waarop hij het ambt wil vormgeven.

Tijdens de goed verzorgde lunch met vergezicht over zowat heel Utrecht, klinken er unaniem enthousiaste geluiden: ‘inspirerend’, ‘interessant’; het niveau en informatieve gehalte van de lezingen was hoog, alles was goed te volgen, er was veel bekends maar ook genoeg nieuws te horen. Verdere ervaringen worden uitgewisseld en dan is het tijd definitief een keuze te maken voor een van de vier uiteenlopende workshops en een ontmoetingen met een van de uitgenodigde schrijvers.

Schema’s, ouderbetrokkenheid, laatbloeiers en film

Niels ’t Hooft legt in zijn workshop uit waarom hij zichzelf ‘hybride schrijver’ noemt: hij schrijft romans (Toiletten, Sneeuwdorp, De verdwijners), helpt computergames ontwikkelen, schrijft over games en technologie en doet onderzoek naar de (leesbaarheid van) de digitale roman. Wat nog de meeste vragen oproept bij zijn toehoorders, is zijn onconventionele benadering van het schrijfproces. Zijn ervaring met het ontwikkelen van games is zichtbaar in de indrukwekkende schema’s die hij voor zijn verhalen gebruikt, en waarbij de input van lezers in een vroeg stadium, als het manuscript nog ruw is, een grote rol speelt. ’t Hooft gooit het klassieke beeld omver van de kluizenaar-schrijver aan wiens geniale brein in eenzaamheid een boek ontspruit. ’t Hoofts verrassende en frisse kijk op de zaak: door bewust en vroeg de interactie op te zoeken met je doelgroep, en met behulp van digitale technieken die je voor verhaalschema’s kunt aanwenden, kom je sneller en efficiënter tot de beste versie van het verhaal dat je wilt vertellen. Vooral die digitale technieken en verhaalschema’s doen een beetje denken aan ‘De verhalenmachine’ uit Roald Dahls bundel Mijn liefje, mijn duifje.
In haar drukbezochte workshop focust Karien van Buuren, actief bij de Rijnbrinkgroep en Stichting Actief Ouderschap, samen met de deelnemers op het grote belang van ouderbetrokkenheid bij de leesopvoeding van kinderen, in samenwerking met bibliotheken en het onderwijs.
Hoe je aarzelende lezers en laatbloeiers adequaat begeleidt en stimuleert gedurende de risicovolle overgangen in het po, vmbo en het mbo, daarover onderhoudt Piet Litjens, directeur Instituut voor Taalonderzoek en Taalonderwijs Anderstaligen (ITTA) de toehoorders in zijn workshop.
De filmproducenten en gebroeders Dylan en Lazlo Tonk zijn er om uit te leggen hoe het medium film – onder de meeste leerlingen een stuk populairder dan boeken – succesvol ingezet kan worden in het leesonderwijs, en sturen hun deelnemers met een concrete lesopzet naar huis.

Meet & greet

Anna Woltz, Sjoerd Kuyper, Jaap Robben en Koos Meinderts zijn de schrijvers die zich ieder in een aparte zaal door hun publiek laten ondervragen over hun schrijfproces en inspiratiebronnen, en soms (zoals schrijver-dichter Jaap Robben) de zaal aanzetten om zelf creatief uit de hoek te komen.

Afsluiting

Het woord is ten slotte aan Jan Paul Schutten, de nieuwe Kinderboekenambassadeur voor de komende twee jaar. Bondig en met de nodige humor kondigt hij aan waarvoor hij zich hard wil maken: lezen moet weer cool worden en ontdaan van het nerderige imago onder leerlingen en hij wil ook non-fictie voor jeugd promoten.

Voor wie na al deze input nog puf heeft, is er gelegenheid tot nader kennismaken, napraten en borrelen. Wie de trein moet halen, neemt de roltrap naar beneden. Uiteindelijk kan iedereen met een geïnspireerd gemoed huiswaarts.

Presentaties

Presentaties van de verschillende sprekers zijn voor zover beschikbaar hier te vinden