Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login

Het gedicht dat tussen ons ligt - inleiding Lestips Poëzieweek (2)

Datum: 
13 december 2017
Auteur: 
Lies Van Gasse

Voor de Poëzieweek 2018 verschenen weer drie prachtige bundels vol praktische lestips voor alle niveaus, van kleuterklas tot bovenvouw voortgezet onderwijs. Elke bundel wordt voorafgegaan door een algemene inleiding door een specialist. De opdracht luidde: vertel eens waarom poëzie een plek verdient in het onderwijs. Dit is de inleiding die Lies Van Gasse schreef voor het voortgezet/secundair onderwijs.

cover van bundel #2

‘Trouw nooit met een dichter, mijn dochter’, schreef die goede ouwe Annie [1] al. Volkomen gelijk had ze. Dichters zijn over het algemeen langharig werkschuw tuig, dat hele dagen lamlendig ligt te wachten op een ingeving. Omdat ikzelf die raad maar half ter harte nam, belandde ik op tweeëntwintigjarige leeftijd, dichterlijk maar berooid, met een kunstenaarsdiploma op de arbeidsmarkt.
Dichters zijn ook maar mensen.
Dichters moeten hun brood verdienen.
Dichters, zo leerde ik tot mijn scha en schande, hebben doorgaans een beroep: dichter-ijsjesverkoper, dichter-winkeljuffrouw, dichter-milieuambtenaar [2], dichter-cipier [3], dichter-ondernemer [4], dichter-psycholoog, dichter-psychiater [5], dichter-politicus, dichter-dierenverzorger [6], dichter-nogwat
En zo, na weinig lucratieve omzwervingen als manusje-van-alles in een kleine supermarkt, als suppoost en kinderlokster op diverse tentoonstellingen, als opmaakster van advertenties voor winkels met exotische namen als ‘Baby Vanilla’, ‘Lingerie Romantica’ en ‘Violet Verhuizingen’ en tot slot als redactrice voor een lokaal reclameblad, belandde ik tot grote opluchting van mijn beider ouders in, jawel, het onderwijs. Eind goed, al goed, zult u zeggen, en dan iets over brood en boter. En over die loonfiche en die vakantiedagen, toch ook wel aardig, niet?

Mijn ideale dagindeling zag er grofweg uit als in het gedicht Dinsdag van Bart Meuleman [7]:

         ‘ (…)

je hebt een bezigheid die je laat slapen of wandelen op een uur dat anderen

hun structuur doorleven.

is dat een voordeel?

je ligt te slapen als anderen moeten bestaan.

je kunt je op elk moment van de dag in de dierentuin laten treffen

door de paarse balzak van een stille primaat –

het vermoeden van een vlekkige ziekte.

niet het dier, het lichaamsdeel of de kleur betrekt het gemoed.

ook het uur van de dag niet, de rustende schoonheid van de plek,

het vertrappelde blik op de grond en de bezoeker in een trage pas

die soms neigt naar stilstand.

(…)

ook gedachten aan anderen niet, waar ze ook zijn momenteel,

aan de slag, op conclaaf, in een vraag of in een antwoord verzonken,

verstrikt in een pauze, al gevlucht naar de weg die hen straks

op een redelijk uur weer naar huis heeft gebracht.

(…)’

U kan zich er wel iets bij voorstellen. De schok was groot. Zonder noemenswaardige ervaring kwam ik terecht in een wereld die de mijne niet was. Mijn eerste twee maanden bracht ik door als vervangend opvoeder in een technisch instituut waar leerlingen opgeleid werden tot elektricien, lasser of mechanicus. Op mijn eerste werkdag werd ik hartelijk begroet door een jongen die vroeger nog samen met mij in een koor had gezongen. Later die avond hoorde ik van mijn collega-opvoeders dat de jongen in kwestie van school was gestuurd omdat hij in één van de stoelen van de eetzaal een priem had gelast. Tijdens de middagpauze was een medeleerling er op gaan zitten, met alle gevolgen van dien.

Tijdens die weken op het technisch instituut bouwde ik een verrassende vriendschap op met een mede-opvoeder. Net als ik had hij al heel wat watertjes doorzwommen en gedurende mijn eerste werkweek vermaakten we ons met verhalen over onze vorige jobs. Mijn collega was in het leger geweest en had nog op de spoeddienst van het ziekenhuis [8] gewerkt. Daar konden mijn verhalen niet tegenop. Ook bleek mijn collega de leerlingen te begrijpen. Ik spiedde door de gangen en zag daar bonkige, gespierde kerels met een grote mond, die elkaar met turnpantoffels en cursusblokken te lijf gingen. Mijn collega zag onder die dikke laag branie gekwetste zieltjes, breekbare karakters, twijfel, angst voor het noodlot dat steeds op de loer ligt. Een beetje zoals in het gedicht Werkloos van Tsead Bruinja [9], waarin die het heeft over trots op mijn vader die het met zijn handen / moet verdienen, maar ook schrijft ik zie mijn vader nog aan tafel zitten / pratend met mijn moeder over het opeten van ons huis / als hij niet snel werk zou vinden.

(…)
om half zes komen nog altijd
veel vaders thuis van hun werk
maar de komende jaren
komen veel van die vaders thuis
met slecht nieuws

ik zie ze met hun vrouwen praten
en stel me voor hoe hun zoons en dochters
stiekem meeluisteren

doen of ze niets horen’

De collega-opvoeder toonde me die kwetsbare kant. Kortstondig maar intens was onze vriendschap, want na twee maanden opvoeden was het tijd voor het echte werk. Ik veranderde van school en van vak en ging plastische opvoeding geven. Tekenjuf. Ik kwam terecht op een land- en tuinbouwschool, een omgeving die mij inspireerde door het gevoel van ruimte en het aanwezige groen, maar die toch weer ver van mij af stond. Bijna elke leerling had er al er een beroep. De ene had thuis een boomkwekerij, de andere schikte boeketten, ging met een prijskoe naar de tentoonstelling, of had een cateringbedrijf. Het werd mij snel duidelijk dat deze jongens en meisjes nooit zoals ik van job naar job zouden dwalen, maar meteen hun weg zouden vinden op de arbeidsmarkt, en dus in het leven.

Ik was bijna jaloers.
Zij hadden mij niet nodig.
Dacht ik.

Op een dag gebeurde er iets. Wàt precies ga ik niet aan deze bladzijden toevertrouwen. In plaats daarvan laat ik u het gedicht De keizer is bloot lezen, van Charles Ducal [10], nog zo’n dichter-leraar. U mag het woord dichter in het vers vervangen door leraar.

De keizer is bloot

Wees op je hoede, dichter. Op een dag
staat aan de kant van de weg die knaap.
Nooit opgevoed, nooit kennisgemaakt
met de lyriek, hoe hij zingt tegendraads

en door de gewenning snijdt als een mes
en al wat op haar drijven wil ontbindt
en achterlaat omdat zij woede is en exces.
Wees op je hoede. Hij is nog een kind,

hij loopt op de lucht uit zijn longen
als een hond door het gras, zo onbedacht
dat hij aan Gods lach lijkt ontsprongen.
Hij kijkt je bloot, hij kent geen gezag.


Misschien herkent u het. Misschien leest u het gedicht en denkt u stiekem aan een leerling of een situatie, u weet wel, dat gevoel van magie, die twee lichtvlekjes in een verder apathische klas, die blik van herkenning, geesten die elkaar vinden, gedeeld enthousiasme, talent. Maar ook weerstand, die ene leerling die je overgroeit, die wordt wat jij niet kon worden, maar hij of zij altijd was.
Net die leerling maakt het lesgeven de moeite waard.

In de jaren die kwamen heb ik een soort mentaal vergrootglas ontwikkeld om hem of haar in elke klas te vinden. Het was niet altijd makkelijk, en misschien vindt u nu bij voorbaat dat ik kromme vergelijkingen trek, want plastische opvoeding gaat toch om tekenen, knutselen, máken - toch iets heel anders dan uw vak?
Wel, vooral ging het mij er in de lessen om de leerlingen gevoelig maken voor kunst, schoonheid. Net zoals u niet per se dichters wil kweken, maar lezers, wilde ik mijn leerlingen op een andere manier naar kunst, maar ook naar de wereld laten kijken. En dus begon ik te zoeken. Met de autofreaks van de klas bestudeerde ik het werk van Panamarenko, ik legde de plantenexperts uit dat die vreemde vormen in het geknipte werk van Matisse abstracties zijn van de vingerplant in zijn atelier, of we trokken naar het museum om er kinetische machinekunst te bekijken. Waarnemingstekenen kreeg ik zelfs aan de lastigste leerlingen verkocht als er koeien of tractors in het spel waren. Ver van uw bed, denkt u? Onthoud het toch maar: moeilijke dingen worden plots heel makkelijk als ze in de leefwereld van de leerlingen vallen. Als je op zoek gaat naar een punt tussen jullie beiden in.

Soms kan het simpel. Ik gaf ooit een cursus songwriting aan een meisje dat hotelschool volgde, en vond maar geen aanknopingspunt. Tot ik volgend gedicht van Sven Cooremans [11] meebracht:

de friturist

als ze zingen

dan weten we
dat ze goed zijn

dan zijn ze goed
voorgebakken

wij weten dat
wij horen dat

we zeggen daar
zingen tegen

Simpel mag dus ook. Het kan een stap zijn naar moeilijker werk, later. Maar ook, en dat is een tip die ik van Joke Van Leeuwen [12] en Italo Calvino [13] kreeg: wees niet bang voor lichtheid. Een mooi voorbeeld vind ik Joke Van Leeuwens stadsgedicht Schoon Volk [14], dat zij schreef voor een tentoonstelling over integratie en identiteit, twee moeilijke thema’s die tot lastige lessen zouden kunnen leiden, maar die anderzijds ook erg relevante problemen oproepen én tot de verbeelding van veel leerlingen spreken. Nieuwe Antwerpenaren hebben volgens haar…

‘(…) herkenbaarheid gekregen,
breedte, hoogte, herkomsthuid,
armen zoekend waar te blijven,
schrammen van ooit ergens.

(…)

Dragen een hoogst persoonlijk hoofd
met kanalen waardoor woorden
de oever van de lippen halen:
hoor wat er hangt in de hersens.’

Je kan heel wat over poëzie leren met dit gedicht. De alliteratie, het maakwoord, ritme en rijm, het wordt allemaal vakkundig toegepast, en ook inhoudelijk – Wat is identiteit? Is het je binnen- of je buitenkant – vallen er wel wat lessen mee te vullen. Toch blijft de toon licht. Als een veertje. Ik denk dat ook dat een manier is om poëzie bij de leerling te brengen.

Mijn tijd als tekenjuf op de middelbare school ligt intussen achter me. Ik denk nog vaak aan mijn leerlingen van toen: in het tuincentrum, bij de wuivende blauweregen aan de academiepoort, wanneer ik er omwille van mijn nomadische levensstijl maar weer niet in slaag mijn balkonplantjes te doen overwinteren. Daarom overviel een mengeling van heimwee en verliefdheid me bij het lezen van de bundel Grond van Idwer de la Parra. De dichter, ook beeldend kunstenaar én tuinman, vult deze bundel met het ene na het andere natuurgedicht. Dat hadden mijn leerlingen zó mooi gevonden! Naast een relaas over menselijke groei en familiebanden is het een lofzang op plantenfamilies, roofvogels en het zinnelijke, haast seksuele – iets minder handig toch, zo in de lessen – van de natuur. Meerdere gedichten [15] raken aan de thema’s waar mijn toenmalige leerlingen gevoelig voor waren, maar zijn toch voorbeelden van ongemakkelijke, hardcore poëzie, waarin ook het beeldende erg belangrijk is. Ik heb het dus nog steeds niet gevonden, dat gedicht dat tussen mij en mijn toenmalige leerlingen ligt. Ik vond er vele. Als slot van deze tekst laat ik u het titelgedicht Grond [16] lezen, dan begrijpt u beter wat ik bedoel. En dan, hup, dapper aan de slag!

Grond

November ritselt waar de vogel zoekt.
Ook mijn geheugen blijft maar ritselen.
Mijn dochter zien, dat gaat nu niet.
Betegel dit mislukte broedgebied.

Het fluiten van de roodborst is gestopt.
De berkentak wordt zwart gelijk de kim.
Hier speelt de nacht het bed waar zij niet ligt.
Gooi deze grond met tegels dicht.

Meer over Lies Van Gasse

Lies Van Gasse (1983), is dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Ze schreef de bundels Hetzelfde gedicht steeds weer, Brak de waterdrager en Wenteling. Met Brak de waterdrager won ze de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen voor poëzie, met Wenteling werd ze genomineerd voor de Pernathprijs.

________________________________________
[1] Annie M.G. Schmidt in het gedicht ‘Raad’:
‘Neem nooit een dichter, m'n dochter. / Zo een met een dichterskop, / zo eentje met lange haren, / zo een op een zolderkamer, / zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op … / (…) / Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou.’
[2] Marc Tritsmans
[3] Ester Naomi Perquin
[4] Tom Lanoye
[5] Rutger Kopland, Anna Enquist, Toon Tellegen
[6] Peter Holvoet-Hanssen
[7] “Dinsdag” - Bart Meuleman. In: Mijn soort muziek (Querido, 2015)
[8] Lees ook het gedicht "Brancardier", van Seamus Heany, uit District and Circle, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 2013, vertaling Onno Kosters en Han Van der Vegt
[9] “Werkloos” - Tsead Bruinja. In: Stofzuigerzangers (Afûk, 2013)
Voor het gemak citeerde ik de Nederlandse versie, maar het oorspronkelijke gedicht is in het Fries.
[10] “De keizer is bloot” - Charles Ducal. In: De buitendeur (Houtekiet, 2014)
[11] “De friturist” - Sven Cooremans. In: Het is dat of stoppen met zingen, (Uitgeverij P, 2013)
[12] In ons gesprek voor Boeken Toe, zie http://www.boekentoe.be/hoofdstuk-2-te-water/
[13] Lees zeker ook eens het essay ‘Over lichtheid’ van Italo Calvino uit zijn 6 memo’s voor het volgend millennium, uitgegeven bij Bert Bakker.
[14] “Schoon Volk” - Joke Van Leeuwen.In: Hoe is’t, gedichten in’t Stad, (Querido, 2010)
[15] Lees zeker ook de gedichten “Mag ik een hond?”, “Snoeien” en “Kamille”
[16] "Grond" - Idwer de la Parra. In: Grond (De Bezige Bij, 2016)