Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login
Datum: 
17 april 2014
Auteur: 
Bea Ros

Ouders zijn cruciaal om van kinderen lezers te maken. Hoe kunnen we hen betrekken bij leesbevordering? Over die belangrijke vraag bogen zich ruim veertig onderzoekers en leesbevorderaars tijdens de expertmeeting van Stichting Lezen op vrijdag 21 maart 2014. De middag leverde inzichten op over wat wel en niet werkt en wat nodig is.

Gespreksleider Natascha Notten

De kans dat een kind uitgroeit tot lezer is vijf keer zo groot bij ouders die een actieve leesopvoeding geven. Die kans is bij docenten slechts 1,5 keer. Gerlien van Dalen, directeur van Stichting Lezen, noemde deze cijfers in haar welkomstwoord om duidelijk te maken hoe belangrijk ouders zijn voor leesbevordering. Naast acties als de Bibliotheek op school – waarbij leerkrachten leren hoe ze kunnen werken aan leesbevordering – verdienen ouders daarom volop aandacht.
Want een actieve leesopvoeding is nog geen gemeengoed in alle gezinnen. Van Dalen noemde enkele ‘zorgwekkende cijfers’, onder meer uit het onderzoek onder 30.000 scholieren (monitor Bibliotheek op School, Sardes 2013). Slechts een op de vijf ouders praat regelmatig met hun kind over boeken, 25% van de ouders gaat nooit met hun kind naar de bibliotheek en het percentage ouders dat nooit voorleest, neemt toe als kinderen ouder worden: in groep 4 is dit 40%, in groep 8 al 80%.
Ouderbetrokkenheid bij leesbevordering vergroten is een van de speerpunten in het programma Ouders en School Samen dat het ministerie van OCW in 2013 startte. Stichting Lezen werkt hieraan mee en de expertmeeting was bedoeld om samen te verkennen wat goede manieren zijn om ouders te betrekken bij leesbevordering.

Levensbelang

Gespreksleider Natascha Notten (Radboud Universiteit Nijmegen) leidde de middag in met een korte presentatie van de bevindingen uit haar onderzoek naar de effecten van leesbevordering thuis. Een positief leesklimaat thuis valt af te meten aan drie zaken: de lezende ouder als rolmodel, boekenaanbod thuis en actieve begeleiding (zoals voorlezen, praten over boeken, bibliotheekbezoek). Daarmee geven ouders hun kinderen groeikapitaal voor het leven mee: ‘Jonge kinderen die thuis voorgelezen worden, hebben een betere start in groep 1 en ze behouden hun voorsprong de rest van de basisschool. De effecten duren zelfs nog langer: als volwassene hebben ze een hoger onderwijsniveau dan kinderen die vroeger niet zijn voorgelezen. Ouderbetrokkenheid bij leesbevordering is dus van levensbelang en vergroot de kansen van kinderen.’
Dat wordt in de digitale maatschappij niet minder, maar juist belangrijker, benadrukte Notten. Het belang van leesbevordering voor schoolsucces is de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. Bovendien, zo blijkt uit haar onderzoek, komt een positieve leesopvoeding niet alleen het traditionele lezen, maar ook het online lezen ten goede.

Notten onderstreepte Van Dalens constatering dat niet alle kinderen leesplezier van huis uit meekrijgen. Risicogroepen zijn gezinnen met een lage sociaaleconomische status (SES) en eenoudergezinnen. Hoewel het doorgaans de moeders zijn die voorlezen – niet voor niets is in 2014 de campagne Vaders Voor Lezen gestart – maakt het voor leesbevordering thuis niet uit of een moeder wel of niet werkt. Vraag is hoe kun je ouders met minder bagage en tijd ondersteunen om toch aandacht aan lezen thuis te besteden?

Ouderbetrokkenheid 3.0

Ook Peter de Vries (CPS) onderstreepte in zijn presentatie nog eens het belang van ouders: hoe goed kinderen zijn in taal en rekenen is voor 49% afhankelijk van ouders, voor 43% van de kwaliteit van de leerkracht en 8% van de klassensamenstelling. Overigens neemt die ouderlijke invloed wel af met de jaren (zoals elke ouder van pubers weet): bij 7-jarigen is hun invloed op schoolprestaties 29% (tegenover 5% school), bij 16-jarigen is dat 14% (tegenover 51% van de school).

Maar in plaats van ouders en school tegenover elkaar te stellen is het beter hen samen te laten optrekken. Het CPS prefereert de term ouderbetrokkenheid. ‘Stop vooral met de term educatief partnerschap, want daarmee schrik je ouders af’, stelde De Vries. Vergeet ook ouderparticipatie, van luizenmoeder tot ict-vader: ‘Aanwezigheid van ouders op school heeft geen aantoonbaar op de prestaties van kinderen.’
Onder het motto ‘van informeren naar samenwerken’ werkt CPS samen met scholen aan ‘ouderbetrokkenheid 3.0’: ‘Vroeger was het vooral eenrichtingverkeer: de school informeerde ouders. Daarna kwam ouderbetrokkenheid 2.0: de ouders stuurden informatie terug. Bij ouderbetrokkenheid 3.0 werken ouders en school samen en delen ze informatie. Het gaat in het belang van het kind om niet-vrijblijvende en gelijkwaardige samenwerking.’  
Die bereik je niet door als leraar tegen ouders te vertellen dat ze meer moeten lezen met hun kind. Dat is nog steeds eenzijdige communicatie. De school moet werken aan een vertrouwensband met ouders. Voer als leraar bijvoorbeeld kennismakingsgesprekken met ouders en houdt een nieuwjaarsreceptie in augustus, bij de start van het nieuwe schooljaar. ‘Elkaar kennen is de beste basis om samen te werken.’ De Vries adviseerde verder om uniforme regels af te schaffen en zoveel mogelijk individuele arrangementen te maken met ouders. ‘Voor het ene gezin zijn tienminutengesprekken voldoende, bij het andere gezin moet je echt op thuisbezoek.’ De school kan buddyparen van ouders vormen, zo kunnen ouders van elkaar leren hoe je kinderen voorleest of welke boeken leuk zijn. De Vries sloot af met een citaat van Epstein: ‘Zorg voor family-like schools en school-like families.’

Trainingen voor ouders

Om gezinnen te helpen bij een positieve leesopvoeding zijn er diverse programma’s en projecten. Daarbij leren ouders bijvoorbeeld hoe ze thuis taalspelletjes kunnen doen, hoe ze kunnen voorlezen en praten met hun kind. Roel van Steensel (Erasmus Universiteit Rotterdam) vergeleek acht internationale meta-analyses van studies naar de effectiviteit van deze zogeheten family literacy-programma’s en concludeert dat deze in het algemeen effect sorteren.

Maar er zijn mitsen en maren. Zo profiteren jongere kinderen meer dan oudere kinderen en profiteren kinderen uit risicogezinnen minder, vooral bij voorleesprogramma’s. De effectiviteit hangt niet alleen af van de doelgroep, maar ook van de opzet van een programma. Zo hebben programma’s die alleen thuis plaatsvinden meer effect dan gecombineerde programma’s op school en thuis. Een mogelijke verklaring voor dit laatste, zo lichtte Van Steensel toe, is dat juist ouders uit risicogezinnen negatieve herinneringen aan school hebben en er weinig voor voelen naar de school van hun kind te komen. Verder sorteert het trainen van specifieke vaardigheden meer effect dan ouders leren voorlezen. ‘Bij voorlezen draait het om de interactiekwaliteit ofwel om het bieden van emotionele ondersteuning en goed inspelen op reacties van een kind. Dat is mogelijk lastiger te trainen’, vertelde Van Steensel.

Om hier meer over te weten te komen doen twee promovendi (in Rotterdam en Nijmegen) onderzoek naar het ouderprogramma VVE Thuis. Met onder meer video-observaties proberen de onderzoekers inzicht te krijgen in wat er precies gebeurt tijdens het voorlezen en wat er mis kan gaan. Van Steensel gaf een klein inkijkje van dit laatste door de zaal een dialoog tussen een voorlezende ouder met kind voor te schotelen. ‘Je ziet de toenemende frustraties bij moeder en kind, dus logisch dat het zo niet werkt.’ De onderzoekers ontwikkelen en beproeven een VVE Thuis app die ouders ondersteunt. Van Steensel vat de belangrijkste les tot dusver samen: ‘FLP’s zijn in het algemeen positief, maar one size doesn’t fit all. Daarom zou het goed zijn om samen met ouders programma’s te ontwikkkelen.’

Digitale muis

Onder de provocerende titel ‘Kunnen digitale hulpmiddelen ouders vervangen?’ ging Adriana Bus (Rijksuniversiteit Leiden) nader in op nieuwe technische mogelijkheden. Net als haar voorgangers benadrukte ook zij het belang van ouders, waarbij ze verwees naar het boek Booksmart: How top Develop and Support Succesful Motivated Readers? van Anne E. Cunningham. ‘Om van kinderen fanatieke lezers (‘booksmart’) te maken zijn ouders onmisbaar. Ze vervullen een belangrijke rol als leescoach.’
Dat idee leeft bij Nederlandse ouders nog te weinig, stelde Bus. In Canada vindt bijvoorbeeld slechts 43% van de ouders dat leren lezen vooral een taak van de school is, de overige 57% helpt hun kinderen actief bij het leren lezen. In Nederland, zo blijkt uit een (niet gepubliceerde) peiling van Bus, vindt maar liefst 100% dat leren lezen vooral een taak van de school is. De zaal reageerde ongelovig: ‘Misschien dachten ze dat het alleen om technisch leren lezen ging?’ Maar Bus verzekerde dat het om bredere coaching ging, zoals samen (voor)lezen, helpen bij de selectie van boeken en kinderen aanmoedigen door bijvoorbeeld afspraken te maken over het aantal te lezen boeken per week of maand.
Kunnen digitale middelen ouders daarbij helpen? Bus was kritisch over interactieve prentenboekenapps. ‘Er is te veel franje die kinderen afleidt van het verhaal en het lezen.’ Bovendien is de keuze van e-books nog moeilijker dan van papieren boeken. In de appstore laten kinderen zich snel verleiden tot ‘commerciële rommel’. ‘Hoogopgeleide ouders sturen daarin, maar laagopgeleide ouders zijn eerder geneigd de keuze aan kinderen over te laten.’

Dat bleek ook toen de website Bereslim, waar wel verantwoord digitaal boekenaanbod te vonden is, een half jaar gratis toegankelijk was. Onder gebruikers bleken hoogopgeleiden over- en laagopgeleiden ondervertegenwoordigd.
Bus’ onderzoeksgroep heeft onderzocht of technologie de coachende rol van ouders kan overnemen. Ze voegden aan e-boeken een muis toe als coach. Deze geeft na elk hoofdstuk een korte samenvatting en stelt een vraag over het voorafgaande die de lezer uitnodigt het gelezene aan eigen ervaringen te koppelen (‘ben jij ook wel eens verliefd geweest?’). Het blijkt dat vooral snel afgeleide kinderen baat hebben bij deze muiscoach: ze lezen geconcentreerder en worden gemotiveerder. Bij kinderen die al geconcentreerd  lezen werkt de muis juist averechts (‘kan die muis ook weg?’).
Iemand uit de zaal vraagt of we niet beter leerkrachten dan ouders die coachrol kunnen aanleren. Dat hoort immers bij hun werk. ‘Dat is zeker belangrijk, maar niet genoeg’, antwoordde Bus. ‘Om een goede lezer te worden is veel oefening nodig. Alleen op school lezen is echt niet voldoende.’

Intrinsieke motivatie

Na de vier presentaties discussieerden de deelnemers over manieren om ouderbetrokkenheid te stimuleren. Haak aan bij de intrinsieke motivatie van ouders om te streven naar het beste voor hun kind, was een eerste belangrijke aanbeveling. Hoe meer ouders weten dat ze met een positief leesklimaat thuis hun kind iets waardevols voor het leven meegeven, hoe beter. Boodschappen uit hun eigen jeugd als ‘je verleest je verstand’ of ‘al dat lezen, doe eens iets nuttigs!’ moeten ontkracht worden.

Kies vooral ook een positieve aanpak, klonk het van diverse kanten. ‘Hamer er niet alleen op dat lezen zo belangrijk is, die boodschap krijgen ouders nu al voortdurend mee van school. Overtuig ouders er ook van dat lezen leuk is.’ Immers, niet alleen technische leesvaardigheid, maar ook leesplezier bevordert schoolsucces.
Willen is nog geen kunnen en sommige groepen ouders behoeven ondersteuning. Is het een idee, vroeg gespreksleider Notten zich hardop af, om te werken met ouderprofielen? Niet doen, waarschuwde Peter de Vries. ‘Praat niet over ouders, maar met ouders.’ Daarbij is het zaak, benadrukten anderen, dat leerkrachten zich ervan bewust worden dat lezen niet voor iedereen vanzelfsprekend is. Alleen zeggen ‘u moet thuis meer voorlezen’ betekent soms dat je ouders met een kluitje in het riet stuurt. Want hoe doe je dat, voorlezen? De algemene conclusie is: luister naar ouders, praat met ze en ontdek wat ze wel en niet zelf kunnen en lever ondersteuning op maat. En, zo rondde gastvrouw Gerlien van Dalen de discussie af, laten we niet alleen kijken naar de laagopgeleide ouders. ‘We hebben de neiging om te kijken naar wie het niet kan, maar het is ook belangrijk om ouders te bereiken die het wel kunnen, maar niet doen. Trouwens, ook voor hoogopgeleide ouders is het soms lastig hun kind aan het lezen te krijgen en houden.’