Nieuwe Prinsengracht 89  1018 VR  Amsterdam   020 623 05 66  info@lezen.nl Stichting Lezen op Twitter Stichting Lezen op FacebookNieuwsbrief         Frysk  English  Contact  Login
Datum: 
28 oktober 2016

Hoe staat het ervoor met het literatuuronderwijs op Nederlandse vo-scholen? Wat willen en doen leraren? En wat zou er beter kunnen? De expertmeeting op 28 september 2016 leverde daarover veel feiten en adviezen op.

Marleen Kieft van Oberon opent met een gedicht

‘Volgens sommigen is het gewoon misdadig om leerlingen op te zadelen met stoffige oude boeken.’ Bij wijze van opening gunde dagvoorzitter Daan Beeke (projectleider vo, Stichting Lezen) de deelnemers alvast een glimp van de column die later dit jaar in het Handboek Literatuuronderwijs zal verschijnen. Hij liet zich inspireren door de discussie die losbarstte na de column van schrijver Christiaan Weijts in NRC Handelsblad begin dit jaar over leeslijst en literatuuronderwijs. Een discussie die regelmatig opduikt - denk maar aan het debat begin jaren negentig rondom het voorstel van Harry Bekkering, Ton Anbeek en Jaap Goedegebuure voor een verplichte canonlijst met twintig boeken voor vwo – en die doorgaans vooral meningen en weinig feiten brengt. Of zoals Beeke stelde: het onderbuikgevoel regeert, zowel bij de fuck-the-canon-roepers en hun tegenstrevers, het ‘Multatuli-Hermans-Reve-kamp. Wil het lees- en literatuuronderwijs echt nieuw elan krijgen, dan is het hoog tijd voor de nuchtere feiten. Precies dat was de inzet van de expertmeeting voor leraren, bibliotheekmedewerkers en andere leesbevorderaars.

Enquête onder leraren

Beeke had alvast een tipje van de sluier opgelicht door te melden dat, anders dan Weijts deed voorstellen, leerlingen een grote vrijheid in hun boekenkeuze hebben. Dat is een van de bevindingen uit het onderzoek Lezen op havo/vwo van Aart van Grootheest (DUO Onderwijsonderzoek). 
Van complete vrijheid bij het lezen voor de lijst is zelden sprake (4%), blijkt uit de enquête onder leraren van havo, vwo en gymnasium, maar op de meeste scholen mogen leerlingen zelf titels kiezen en ter goedkeuring voorleggen aan hun leraar Nederlands (82%) dan wel kunnen ze kiezen uit een lijst met titels (52%). De belangrijkste eisen die leraren stellen aan lijstboeken zijn: literair gehalte en geen vertalingen (beide 67%). Ook geldt er vaak (62%) een maximum aan het aantal boeken van dezelfde schrijver.
Leesplezier en de ontwikkeling van literaire competentie noemen leraren als de belangrijkste doelen van het literatuuronderwijs. Gesprekken en adviezen over boeken zijn gangbare vormen van leesbevordering in de klas, een bezoek aan een mediatheek gebeurt minder vaak: 33% van de leraren zegt dit nooit te doen en 48% doet dit hooguit eens per jaar. Vrij lezen verovert een structurele plek in het lesrooster: 60% heeft dit al (waarvan 27% in alle leerjaren en schoolniveaus) en 11% is van plan het in te voeren. Op dit moment zijn het vooral vmbo-scholen die kiezen voor vrij lezen. Om ook havo- en vwo-scholen over de streep te trekken lanceert Stichting Lezen tijdens de Dag van het Literatuuronderwijs een promotiecampagne. 

Haken en ogen

In aanvulling op deze cijfers heeft Marleen Kieft (Oberon) gesprekken met leraren (117) en sectieleiders Nederlands (57) gehouden. Om te onderstrepen dat een inspirerende leraar goud waard is, begon Kieft haar presentatie met een gedicht van Judith Herzberg dat haar dankzij de literatuurlessen van Theo Witte tijdens haar studie altijd is bijgebleven. ‘Theo begon elke les met een gedicht.’
Vanzelfsprekend is zo’n leesbevlogen leraar niet. Een van de bevindingen uit Kiefts onderzoek Lees- en literatuuronderwijs in havo/vwo is dat niet elke leraar Nederlands zelf van lezen houdt. Dat maakt het lastig het goede voorbeeld te geven.
Leesplezier blijkt vooral in de onderbouw een doel; in de bovenbouw draait het eerder om literaire competentie. In de onderbouw is ook de waaier aan boeken die leerlingen (mogen) lezen ruimer. Hoewel ze positief zijn over vrij lezen, noemen leraren wel praktische haken en ogen als tijdgebrek en beschikbaarheid van boeken. Bovendien worstelen ze soms met leerlingen die echt niet willen lezen.
De secties zijn verantwoordelijkheid voor het literatuuronderwijs. Er blijkt nog weinig afstemming met andere talensecties – waardoor het maar zo kan gebeuren dat een leerlingen Een weeffout in onze sterren zowel voor Engels als Nederlands leest – en zijn nog nauwelijks  doorgaande leerlijnen, zeker niet tussen onder- en bovenbouw. Opvallend is dat naast veelgebruikte methodes als Laagland en Dautzenberg 80% van de leraren zelf lesmateriaal ontwikkelt. Verder blijkt de website Lezenvoordelijst.nl een belangrijke basis; leraren gebruiken vooral de niveau-indelingen en minder de opdrachten bij de boeken. 

LEESvaardig
Driekwart van de leraren heeft nog nooit van de Bibliotheek op school gehoord, is een van de cijfers uit het DUO-onderzoek. En uit het Oberon-onderzoek blijkt dat de schoolleiding zich zelden bemoeit met literatuuronderwijs, met als risico dat draagvlak voor een schoolbibliotheek niet vanzelfsprekend is. Genoeg werk aan de winkel dus. Adriaan Langendonk (Kunst van Lezen) maakte duidelijk dat dit werk in volle gang is.
Het programma de Bibliotheek op school (dBos) richt na een succesvolle start in het po (het bereik is inmiddels 45%) zijn pijlen nu ook op het vo. En dan vooral het vmbo, want daar bevindt zich de doelgroep van het actieprogramma Tel mee met Taal/Kunst van Lezen, te weten laaggeletterden. Het stimuleren van taalvaardigheid en leesplezier zijn de belangrijkste doelen, een van de middelen om dat te bereiken is nauwe samenwerking tussen bibliotheken, kinderopvang en scholen. Zo ontstaat een doorgaande leeslijn van Boekstart via dBos tot en met taallessen voor volwassenen. De pijlers van Kunst van Lezen zijn LEES: een goede Leesomgeving, voldoende Expertise, Evidentie via onderzoek en Samenwerking (zowel op praktisch, uitvoerend als strategisch niveau).
Een andere reden om de focus op het vmbo te richten is dat deze scholen vaak een media- of schoolbibliotheek ontberen. Er zijn zelfs scholengemeenschappen waar de mediatheek verboden is voor vmbo’ers. Bovendien heeft lezen op het vmbo nog een minder duidelijke plek in het curriculum.
In 2017 doet alvast 10% van de vmbo-locaties mee aan dBos. Deze scholen krijgen onder meer een vaste leesconsulent vanuit de lokale bibliotheek om mee samen te werken en verzamelen via dBos-monitor gegevens over het leesgedrag van hun leerlingen.

Lezen op niveau

Voor havo/vwo doet de dBos wel iets, namelijk ondersteuning bij Lezen voor de Lijst. Vanaf 2017 zal deze website geïntegreerd zijn in de infrastructuur van de Koninklijke Bibliotheek, vertelde Andrea Langendoen.
Sinds de KB in 2015 is gefuseerd met het SIOB en BNL behoren ook de openbare bibliotheeksector tot haar werkveld en vormt jeugd een belangrijke doelgroep. Ze kreeg daarmee ook producten gericht op jongeren, zoals Boekstart, Leesplein en de Vakantiebieb en dBos in huis. Op dit moment werkt de KB aan een plan om alle producten en aanbod voor jeugd geïntegreerd en laagdrempelig te presenteren: jeugdbibliotheek.nl. Vanaf 2017 komt daar dus ook de website van Lezen voor de Lijst bij, als welkome aanvulling voor de doelgroep 12-18jaar. De herkenbaarheid voor leerlingen en leraren blijft behouden, de verspreiding wordt via de KB-kanalen vergroot. Het streven is om de titels van LvdL allemaal als e-book beschikbaar te maken. Prima idee, vonden diverse aanwezigen en zorg vooral dat dat gratis is en ook blijft voor jongeren, want laagdrempelige beschikbaarheid van boeken is een must voor jongeren. Niets zo demotiverend om als je eindelijk een boek van je gading hebt gevonden te horen dat het voorlopig uitgeleend is.
Theo Witte, geestelijk vader van Lezen voor de Lijst, kon dat alleen maar beamen. Hij schetste nog eens de ontwikkeling van zijn website. Gestart als spinoff van zijn proefschrift Het oog van de meester groeide het uit tot een website die inmiddels per schooldag 12.000 bezoekers trekt en die dankzij de verdeling van boeken naar leesniveau gedifferentieerd literatuuronderwijs, op maat van de leerling, mogelijk maakt. De toegevoegde waarde is bovendien dat het verbindt, aldus Witte. ‘Er is nu een gedeeld referentiekader en dat maakt de samenwerking binnen secties en tussen school en bibliotheek makkelijker. Het voorkomt ook vervelende discussies over boekenkeuze tussen leerling en leraar.’
Behalve de lancering van LvdL 3.0 in 2017, binnen de KB-omgeving, heeft Witte nog meer ambities. Zo moeten eind 2018 alle titels voorzien zijn van gedidactiseerde opdrachten, moeten meer leraren en bibliotheekmedewerkers bijgeschoold worden in werken met LvdL en moet er onderzoek komen naar onder meer de effecten van werken met LvdL op leesmotivatie en literaire ontwikkeling van jongeren. Verder hoopt Witte, en dat liefst op korte termijn, af te rekenen met verkeerd gebruik van LvdL. Zo staat een vaste koppeling tussen leerjaar en leesniveaus haaks op de gedachte van lezen op maat. ‘Na Nederland Leest 2012 kelderde waardering voor De donkere kamer van Damokles, omdat leraren het boek lieten lezen aan leerlingen die er nog niet aan toe waren. Dat werkt demotiverend.’

Voldoening

Na de presentaties bogen de deelnemers zich in vier groepjes over enkele stellingen. Het leidde tot geanimeerde discussies, waarbij een stelling aanvankelijk werd omarmd om vervolgens genuanceerd of bekritiseerd te worden. Zo vonden de meesten de gelijkstelling van literatuuronderwijs met leesplezier te ver gaan. Plezier is mooi, maar  voldoening is beter. ‘Een leerling mag er best moeite voor doen en na enig doorbijten ontdekken dat iets wat eerst lastig en vervelend leek, toch de moeite waard is.’ En er is ook nog zoiets als cultuuroverdracht: ‘Leerlingen moeten weten dat P.C. Hooft een dichter is en niet alleen een dure winkelstraat.’ Een deelnemer verwees naar een van de door Daniel Pennac geformuleerde rechten van de lezer: het recht om een boek niet leuk te vinden en er toch van te leren.
En moet elke leraar echt per se een leesfanaat zijn en minstens twintig romans per jaar lezen? ‘Twintig is veel te weinig’, vond een leraar. En een andere deelnemer poneerde: ‘Een leraar die niet leest is als een gymleraar met een bierbuik.’ Nee hoor, vonden anderen, je kunt binnen een sectie best taken verdelen. De een houdt nu eenmaal meer van lezen, de ander meer van taalbeheersing. Het gaat niet alleen om boekkennis, zeiden weer anderen, maar ook om literatuurdidactische kennis. Een goede literatuurdocent vormt zich pas in de praktijk.

Verder vielen de meeste aanwezigen over het woordje ‘noodzakelijk’ in de stelling dat dBos een noodzakelijke toevoeging is aan leesbevordering en literatuuronderwijs op havo en vwo. Dat ligt er immers maar aan: met een goed team, leesbeleid en mediatheek heb je dBos niet nodig. Sterker, dat kan de schoolmediathecaris zelfs als bedreiging zien. Anderen wezen op het voordeel dat door dBos lezen geborgd wordt in het schoolbeleid. ‘Veel leraren nemen de mediathecaris niet serieus’, vertelde Adriaan Langendonk, ‘dBos kan daarin een bemiddelende rol spelen.’ De aanwezigen gaven desgevraagd ook adviezen aan dBos-vo: begin met de monitor ook op havo/vwo, kies een vakoverstijgende aanpak en bied nascholing in didactische werkvormen.

Mens achter de schrijver

Tot besluit kwam na alle onderzoekers, leraren en bibliotheekmedewerkers een andere expert in leesbevordering aan het woord: de schrijver. Anne-Gine Goemans vertelde over haar schoolbezoeken tijdens Literatour, de Boekenweek voor jongeren.
Best een lastige klus om jongeren warm te maken voor lezen - zelfs haar eigen kinderen lezen haar boeken niet, vertelde ze. Maar haar ervaring is dat jongeren wel nieuwsgierig zijn naar de mens achter de schrijver. Tijdens schoolbezoeken vragen ze haar het hemd van het lijf over haar privéleven. ‘Opeens wordt de schrijver echt en gaan ook de boeken leven.’ Ze riep de hulp in van een ervaringsdeskundige, haar zoon, om een voor jongeren aantrekkelijk filmpje te maken. En dus tuimelden de beelden over elkaar heen en plopte er, als Goemans te lang over haar boeken vertelde, een wolkje op met ‘dit boeit niemand’. Het filmpje bleek in de klas het ijs te breken en daarna volgde een geanimeerd gesprek, waarin het behalve over Goemans zelf ook over lezen en boeken gaat. Ze hoorde dat leerlingen niet van lezen (lees: de verplichte leeslijst) houden, maar zwaar onder de indruk zijn van De vliegeraar. Ze hoorde via de leerlingen ook over de niveaus van LvdL (‘ik moet naar niveau 6, dan ben ik AVI uit’).
Goemans onthulde wat LvdL met een schrijver doet. ‘We vinden natuurlijk allemaal dat we minstens niveau 4 zijn, maar ja, dan ontdek je dat jouw boek niveau 3 is.’ Werkt dat niet averechts op leerlingen, vroeg ze zich hardop af. ‘Voor mij staat leesplezier voorop en van mij mogen leerlingen alles lezen, vertaald, Gijp en alle boeken van een en dezelfde schrijver.’ Witte was er niet meer om haar te antwoorden. Gelukkig liggen er, ook voor Goemans, inmiddels de nodige feiten en adviezen op tafel om het literatuuronderwijs weer met frisse ogen te bekijken.